Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:21451
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,317 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29930
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 12 februari 2025 heeft de AVIM van de politie Rotterdam de minister een brief gestuurd met het voorstel om aan eiser een zwaar inreisverbod en een besluit tot signalering op te leggen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit, een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaren en een besluit tot signalering voor de duur van 10 jaren opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op 17 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Bestreden besluit
3. Bij vonnis van 18 december 2024 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam aan eiser een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Eiser heeft zich op 2 september 2024 schuldig gemaakt aan fysieke seksuele intimidatie. De minister heeft eiser als gevolg van het plegen van het strafbare feit een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen verblijfsrecht meer in Nederland en dient onmiddellijk uit de Europese Unie (EU), Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein te vertrekken. Aan eiser is eveneens een zwaar inreisverbod opgelegd. Eiser is volgens de minister een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. In de omstandigheid dat eiser volwassen kinderen heeft in Nederland en getrouwd was in Nederland, ziet de minister geen aanleiding om het inreisverbod achterwege te laten. Ook ziet de minister geen aanleiding om van het inreisverbod af te zien op grond van humanitaire redenen. Daarnaast legt de minister een besluit tot signalering voor de duur van tien jaren op. Tot slot stelt de minister dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Het beroep van eiser
4. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat het onduidelijk is waar het terugkeerbesluit op is gebaseerd en dat de argumenten ten aanzien van het terugkeerbesluit en inreisverbod door elkaar zijn gehaald. Daarnaast voert eiser aan dat het besluit is gestoeld op een uittreksel van de DJI en dat dit uittreksel ten onrechte niet is overgelegd. Ook is het strafrechtelijke vonnis en het reclasseringsrapport ten onrechte niet overgelegd. Eiser voert verder aan dat er geen sprake is van een onmiddellijke, acute en ernstige bedreiging van de openbare orde en dat onvoldoende is aangetoond dat de ernst van de feiten een inreisverbod voor de duur van 10 jaren rechtvaardigen. Er is volgens eiser geen sprake van recidive en het enkele feit dat er een voorwaardelijke straf is opgelegd, maakt niet dat er kans is op herhaling. Daarnaast dient een terugkeerbesluit niet ter voorkoming van strafbare feiten. Het voorwaardelijke deel van de straf dient reeds ter voorkoming van verdere strafbare feiten en hiervoor hoeft niet een terugkeerbesluit te worden opgelegd. Tot slot voert eiser aan dat hij 51 jaar en ongeschoold is en het grootste deel van zijn leven buiten Turkije heeft verbleven. Daarom kan hij geen nieuw leven kan opbouwen in Turkije.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van het terugkeerbesluit. De minister heeft in zijn verweerschrift gesteld dat eiser op eigen verzoek zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en op eigen verzoek is teruggekeerd naar Turkije en dat de rechtbank hiervan op de hoogte is gesteld per brief van 30 september 2025. Eiser heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet is gebleken dat eiser nog belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het terugkeerbesluit. Eiser heeft immers reeds gehoor gegeven aan het terugkeerbesluit en niet is gesteld welk belang hij nog heeft bij de beoordeling ervan. De rechtbank is evenmin gebleken van een dergelijk belang. De rechtbank beperkt zich hieronder dan ook tot de bespreking van de overige beroepsgronden, die zich niet richten tegen het terugkeerbesluit.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het uittreksel van DJI, het strafrechtelijke vonnis en het reclasseringsrapport ten onrechte niet zijn overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat het uittreksel van DJI inmiddels is toegevoegd aan het dossier. Het strafvonnis maakte al deel uit van het dossier, maar deze is nogmaals toegevoegd aan het dossier. De rechtbank stelt verder vast dat niet het reclasseringsrapport, maar het strafvonnis ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Dat in het strafvonnis wordt verwezen naar het reclasseringsrapport, maakt niet dat het reclasseringsrapport in de onderhavige procedure overgelegd had moeten worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang voor de samenleving vormt. In dit kader heeft de minister terecht gesteld dat de seksuele handelingen die eiser heeft verricht met het slachtoffer een bijzonder ernstig misdrijf is dat door slachtoffers als zeer ingrijpend en traumatisch wordt ervaren. Eiser heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het is van fundamenteel belang voor de Nederlandse samenleving om deze te beschermen tegen dergelijke zedendelicten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de motivering van de minister op dit punt te kort schiet. Het lag dan ook op de weg van eiser om dit nader toe te lichten. De enkele stelling van eiser dat er geen sprake zou zijn van recidive en dat het terugkeerbesluit niet dient ter voorkoming van verdere strafrechtelijke feiten, volgt de rechtbank niet. Zoals de minister nader heeft toegelicht in zijn verweerschrift en tijdens de zitting, heeft de strafrechter de kans op recidive meegewogen in de strafmaat. De minister heeft zich gebaseerd op het strafvonnis. Daarbij heeft de minister terecht overwogen dat het voor het opleggen van het inreisverbod niet uitmaakt dat een deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn stelling dat hij geen nieuw leven kan opbouwen in Turkije gezien zijn leeftijd, het feit dat hij ongeschoold is en het grootste deel van zijn leven buiten Turkije heeft verbleven, niet nader heeft onderbouwd. De minister heeft overwogen dat eiser pas op latere leeftijd uit Turkije is vertrokken en hij kinderen heeft in Turkije. Eisers kinderen buiten Turkije zijn inmiddels volwassen en eiser zou hen ook buiten de EU kunnen ontmoeten. Bovendien is eiser reeds vrijwillig teruggekeerd naar Turkije. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Dienst Justitiële Inrichtingen.