Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:21423
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,782 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38406
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),
en
de Minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder dat geen verblijfsvergunning wordt verleend aan eiser op grond van het buitenschuldbeleid voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv), het besluit dat eiser onmiddellijk moet terugkeren en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij heeft daarom beroep ingesteld. Hij voert onder meer aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij onvoldoende medewerking heeft verleend. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat eiser niet voldoet aan de vereisten van het buitenschuldbeleid zodat verweerder de verblijfsvergunning heeft kunnen afwijzen. Ook heeft verweerder bij het terugkeerbesluit kunnen afzien van een vertrektermijn. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 16 maart 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 januari 2023 afgewezen. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) heeft het beroep tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Er is geen hoger beroep ingesteld. Op 21 augustus 2023 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) de beoordeling van het onderzoek naar adequate opvang toegestuurd aan verweerder. DT&V heeft geconcludeerd dat het onderzoek niet binnen de gestelde termijn (het bereiken van de meerderjarige leeftijd van eiser op 30 augustus 2023) kon worden afgerond, omdat eiser onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek.
2.1.
Op 11 oktober 2023 heeft verweerder op basis van de beoordeling van het onderzoek aan eiser een voornemen tot besluit bekend gemaakt. Daarin is – voor zover relevant – opgenomen: (i) de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier op basis van het buitenschuldbeleid voor amv’s, en (ii) het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. Eiser heeft op 7 november 2023 een zienswijze ingediend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 december 2023 is verweerder bij het voornemen gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover het ziet op de afwijzing van de verblijfsvergunning en het ontbreken van een vertrektermijn. Eiser heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiser en gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Een amv kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krijgen als die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken vanwege het ontbreken van adequate opvang in het land van terugkeer (buitenschuldbeleid voor amv’s). Om te bepalen of sprake is van adequate opvang kan nader onderzoek nodig zijn. Bij dat onderzoek moet een vreemdeling zich actief inzetten om zijn eigen terugkeer te realiseren. Indien een verblijfsvergunning is afgewezen, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer en dient de vreemdeling Nederland te verlaten. Daarvoor neemt verweerder een terugkeerbesluit. De reguliere vertrektermijn van 28 dagen kan – onder meer – worden ingekort als een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Reikwijdte beroep
4. Voor zover eiser in beroep naar zijn zienswijze heeft verwezen met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen, oordeelt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze is ingegaan. Eiser heeft met de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich beperken tot een bespreking van de overige gronden van beroep zoals opgenomen in het beroepschrift. Die zien op de afwijzing van de verblijfsvergunning en het achterwege laten van een vertrektermijn in het terugkeerbesluit.
Heeft eiser voldoende meegewerkt aan onderzoek adequate opvang?
5. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het nadere onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer. Daarbij stelt eiser dat het aan verweerder is om het onderzoek te doen. Eiser kan niet worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt omdat niet duidelijk was welke informatie nodig was. Verweerder heeft eiser ook niet gewezen op de mogelijkheid tot het inschakelen van het Rode Kruis of de IOM.
5.1.
Verweerder stelt daartegenover dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt en zich niet constructief heeft opgesteld. Verweerder verwijt dat eiser niet op afspraken met DT&V is verschenen, geen nadere informatie heeft verstrekt en ook geen andere initiatieven heeft ondernomen om de aanwezigheid van adequate opvang te kunnen onderzoeken.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar het onderzoek naar adequate opvang moet uitvoeren, maar dat op eiser de plicht rust volledig en actief mee te werken. Onder die medewerkingsplicht valt onder meer het verstrekken van zo veel mogelijk informatie over bijvoorbeeld het laatste contact met en de laatst bekende verblijfplaats van het familielid dat adequate opvang kan bieden. Ook kan de vreemdeling hulporganisaties inschakelen die een rol van betekenis kunnen spelen bij de zoektocht naar en de hereniging met familieleden (zoals de IOM, de UNHCR en het Rode Kruis). Als een vreemdeling om gegronde redenen niet in staat is om ergens medewerking aan te verlenen, moet de vreemdeling dit aannemelijk maken. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan die medewerkingsplicht en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvoor gegronde redenen bestaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder met de brief van 2 maart 2023 heeft medegedeeld nader onderzoek te moeten doen omdat eiser heeft verklaard bij de moeder van zijn pleegmoeder en diens broer in Algerije te hebben verbleven. In dat verband heeft verweerder aangegeven dat eiser op korte termijn zou worden uitgenodigd voor een gesprek met DT&V waar eiser zou worden bevraagd over de familie van zijn pleegmoeder. Verder volgt uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) van 31 maart 2023 dat nader onderzoek naar de adequate opvang in het land van terugkeer nodig was. Dat onderzoek moest zijn afgerond voordat eiser meerderjarig werd op 30 augustus 2023. Het kon eiser dus – anders dan hij ter zitting heeft gesteld – duidelijk zijn dat hij in het kader van dat nadere onderzoek bij DT&V werd verwacht. Desalniettemin is eiser tot driemaal toe (op 3 mei 2023, 6 juni 2023 en 27 juli 2023) niet of te laat op een afspraak met DT&V verschenen. Pas op 17 augustus 2023 – 13 dagen voordat eiser meerderjarig zou worden – heeft een gesprek met DT&V plaatsgevonden. In dat gesprek is door eiser geen nieuwe informatie verstrekt op grond waarvan verweerder binnen de onderzoeksperiode heeft kunnen vaststellen of in het land van terugkeer adequate opvang bestond. Eiser heeft daarbij geïrriteerd gereageerd op de vraag naar contacten met de familie van zijn pleegmoeder in Algerije, gezegd dat hij met niemand contact heeft en nergens naar toe kan. Daarmee heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende medewerkingsplicht. Gegronde redenen waarom eiser niet heeft meegewerkt, zijn niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser ervoor heeft gekozen om niet mee te werken zodat verweerder het onderzoek niet heeft kunnen afronden, komt in die situatie voor risico van eiser.
5.4.
Deze grond slaagt niet.
Heeft verweerder de belangen van het kind voldoende meegewogen?
6. Eiser stelt ook dat verweerder met het bestreden besluit onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van het kind. Eiser stelt dat verweerder hem niet mag tegenwerpen dat zijn situatie in het land van terugkeer niet slechter is dan voor zijn leeftijdsgenoten daar. Eiser stelt dat hij in Nederland betere kansen en opleidingsmogelijkheden heeft.
6.1.
Verweerder geeft aan dat de omstandigheden niet kunnen leiden tot een verblijfsrecht voor eiser.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het belang van het kind is meegenomen in de beoordeling of sprake is van adequate opvang voor amv’s in het land van terugkeer. Dat eisers levensomstandigheden in Nederland beter zijn, is geen onderdeel van de wettelijke toets die immers uitgaat van de levensomstandigheden in het land van terugkeer.
6.3.
Deze grond slaagt niet.
Is de vertrektermijn te kort?
7. Tot slot stelt eiser dat ten onrechte geen vertrektermijn is opgenomen, omdat hij voor verweerder bereikbaar, traceerbaar en benaderbaar is. Verweerder stelt dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken onder meer omdat hij zich meermaals heeft onttrokken aan het toezicht, zodat verweerder de vertrektermijn kon verkorten.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de vertrektermijn kan worden verkort als aan twee gronden uit artikel 5.1b, derde en vierde lid van het Vb wordt voldaan. Eiser ontkent niet dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser betwist ook niet de overige gronden die door verweerder zijn aangevoerd in het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat een risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht zodat verweerder tot verkorting van de vertrektermijn mocht overgaan.
7.2.
Deze grond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling terecht heeft kunnen weigeren. Ook mocht verweerder afzien van een vertrektermijn. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Vreemdelingenwet
Artikel 14
1. Onze Minister is bevoegd:
(…)
e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen dan wel de geldigheidsduur ervan te verlengen.
(…)
3. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
(…)
g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;
Artikel 61
1. De vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, dient Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn.
Artikel 62
(…)
2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:
a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;
Vreemdelingenbesluit
Artikel 3.4
1. De in artikel 14, derde lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
(…)
q. tijdelijke humanitaire gronden;
Artikel 3.48
1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die:
(…)
2. De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan:
a. vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken,
Artikel 3.58
(…)
2. In afwijking van het eerste lid, onder q, kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend voor de duur van vijf jaar aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling:
a. die jonger was dan vijftien jaar ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag in Nederland, en
b. voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, dan wel deze adequate opvang buiten zijn schuld niet gerealiseerd kan worden binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag.
Artikel 5.1b
(…)
3. Er is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling:
(…)
b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
(…)
i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4. Er is sprake van een lichte grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling:
(…)
c. een vaste woon- of verblijfplaats heeft;
d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
Artikel 6.1
Een risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a, van de Wet kan worden aangenomen indien tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, op de vreemdeling van toepassing zijn.
Vreemdelingencirculaire
B8/6.1
Ad 5. Adequate opvang
De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden
B8/6.2.2
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de eerste verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
De vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar;
de vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden;
de vreemdeling heeft zich actief ingezet om zijn eigen terugkeer te realiseren. Zo heeft hij zich actief ingezet om zijn eigen identiteit en nationaliteit aan te tonen, een (vervangend) reisdocument te verkrijgen (indien nodig) en contact te leggen met familie of andere personen of organisaties in het land van herkomst naar wie hij zou kunnen terugkeren;
in nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van adequate opvang;
er is op het moment van beoordeling geen zicht op feitelijk vertrek naar het land van herkomst.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:5114).
Dit volgt uit artikel 14, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 3.4, eerste lid onder q, artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 3:58, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit paragraaf B8/6.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Dit volgt uit artikel 61, eerste lid in samenhang met artikel 62, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a van de Vw.
Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2670), onder 20.
Dit volgt uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg) van 31 maart 2023 waarin het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel ongegrond is verklaard.
Zoals volgt uit paragraaf B8/6.1 van de Vc
Dit volgt uit artikel 62, tweede lid , onder a, van de Vw in samenhang met artikel 6.1 van het Vb.