Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:21396
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,295 tokens
Dictum
[appellant] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres: [adres 1] ,
[postcode 1] te [woonplaats] ,
hierna: de appellant.
Inleiding
Op 9 oktober 2025 heeft de officier van justitie aan de appellant een gedragsaanwijzing ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering opgelegd. Volgens de officier van justitie bestaan tegen de appellant ernstige bezwaren (een stevige verdenking) dat hij zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een ontploffing dan wel brandstichting en tevens een bedreiging en vernieling. Daarbij bestaat de vrees dat de appellant zich ernstig belastend tegenover [naam] zal gedragen.
De gedragsaanwijzing houdt, kort samengevat, in dat de appellant met ingang vanaf 9 oktober 2025 voor de duur van 90 dagen:
zich niet mag ophouden in een straal van 100 meter van de [adres 2] ( [postcode 2] ) te [plaats] ;
zich niet mag ophouden in een straal van 100 meter van [adres 3] ( [postcode 3] ) te [plaats] ;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben met [naam] .
Op 14 oktober 2025 ontving de rechtbank een beroepschrift van de appellant.
De behandeling in raadkamer
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 in raadkamer behandeld en kennisgenomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De appellant is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Aanwezig was zijn advocaat, mr. M. van Stratum. Tevens is de officier van justitie mr. L. Post gehoord.
Het standpunt van de appellant
De raadsman heeft in raadkamer verzocht het beroepschrift gegrond te verklaren en de gedragsaanwijzing met onmiddellijke ingang op te heffen en heeft daartoe in het beroepschrift en ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De gedragsaanwijzing levert een ongeoorloofde inmenging in het privéleven van appellant op, zoals bedoeld in artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechter-commissaris heeft ondubbelzinnig geoordeeld dat er onvoldoende ernstige bezwaren waren voor de verdenking van voornoemde feiten en de vordering tot inbewaringstelling is afgewezen. Sindsdien zijn er door het Openbaar Ministerie geen nieuwe stukken ingebracht. Appellant stelt dat daarmee het fundament onder de gedragsaanwijzing wegvalt en de gedragsaanwijzing dient te komen vervallen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De officier van justitie heeft betoogd dat de ernstige bezwaren – ondanks de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling door de rechter-commissaris – wél aanwezig zijn en dat een groot risico bestaat dat appellant zich belastend zal gedragen jegens [naam] . De officier van justitie heeft aangevoerd dat door appellant steeds heftiger geweld lijkt te worden aangewend tegen [naam] , waardoor het Openbaar Ministerie zich in het kader van de richtlijnen van stalking en femicide genoodzaakt voelde om het geweld te doen stoppen door het opleggen van de gedragsaanwijzing.
Beoordeling
Als uitgangspunt voor de beoordeling van het beroep geldt dat de rechtbank moet toetsenof tegen de appellant ernstige bezwaren bestaan van een verdenking van strafbare feiten in verband waarmee vrees bestaat dat de appellant zich ernstig belastend tegenover [naam] zal gedragen. Als aan die voorwaarde is voldaan dient de rechtbank te beoordelen of de opgelegde gedragsaanwijzing ook proportioneel is.
De rechtbank overweegt het volgende. Op 7 oktober 2025 is appellant voorgeleid voor de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de vordering tot inbewaringstelling afgewezen, vanwege een gebrek aan ernstige bezwaren. Volgens de rechter-commissaris bevatte het dossier onvoldoende steunbewijs voor de aangiftes. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens op 9 oktober 2025 de gedragsaanwijzing opgelegd. De rechtbank stelt vast dat het dossier sinds de voorgeleiding aan de rechter-commissaris geen nieuwe informatie bevat. De rechtbank ziet dan ook geen reden om van het oordeel van de rechter-commissaris af te wijken en concludeert daarmee dat er onvoldoende ernstige bezwaren zijn in verband waarmee vrees bestaat dat de appellant zich ernstig belastend zal gedragen jegens [naam] .
Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de gedragsaanwijzing met onmiddellijke ingang opheffen. De proportionaliteit van de gedragsaanwijzing behoeft daarom geen nadere bespreking.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
heft de gedragsaanwijzing met onmiddellijke ingang op.
Aldus gedaan te Den Haag door
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van K.A.M. Boeije en mr. L.A. Duijm, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 oktober 2025.