Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:21379
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,863 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50429
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Zweden heeft. Het is redelijk voor eiser om terug te gaan naar Zweden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 29 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Zweden.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser verblijft sinds 2014 in Zweden en heeft daar sinds 2016 internationale bescherming. Eiser heeft een Zweedse verblijfsvergunning overgelegd, die geldig is tot 29 april 2025. Eiser heeft verklaard dat hij een permanent verblijfsrecht heeft in Zweden. De minister stelt zich op het standpunt dat het redelijk voor eiser is om naar Zweden terug te gaan. Door zijn verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming heeft hij een band met Zweden en deze band is sterker dan de band met Nederland. Als eiser zich in Zweden onveilig voelt of problemen heeft, dan mag van hem worden verwacht dat hij bescherming inroept van de Zweedse autoriteiten. Volgens de minister is niet gebleken dat de Zweedse autoriteiten eiser niet effectief kunnen beschermen.
Internationale bescherming in Zweden
4. Eiser voert aan dat de status van zijn verblijfsrecht in Zweden onduidelijk is. Eiser is namelijk al in januari 2024 uit Zweden vertrokken. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of eiser nog een verblijfsrecht heeft in Zweden.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de minister de Zweedse autoriteiten op 23 januari 2025 om informatie over de verblijfsstatus van eiser heeft verzocht. De Zweedse autoriteiten hebben op 14 maart 2025 laten weten dat eiser sinds
26 februari 2016 internationale bescherming heeft in Zweden, hij op die datum een permanente verblijfsvergunning heeft gekregen en dat zijn verblijfsrecht nog steeds geldig is.
6. De minister mag in beginsel afgaan op de overgelegde verblijfsvergunning, eisers verklaringen daarover en de informatie van de Zweedse autoriteiten. Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling internationale bescherming geniet zolang de verleende verblijfsstatus niet is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser internationale bescherming heeft in Zweden. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat de informatie van de Zweedse autoriteiten niet juist (meer) is. Het enkele feit dat de verblijfsvergunning inmiddels is verlopen, is daarvoor niet voldoende. Niet is gebleken dat eiser de verblijfsvergunning niet kan verlengen of dat de Zweedse autoriteiten eisers verblijfsrecht hebben ingetrokken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Effectieve bescherming door de Zweedse autoriteiten
7. Eiser voert aan dat de minister zijn individuele omstandigheden onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of ten aanzien van Zweden kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat de Zweedse autoriteiten hem niet effectief kunnen beschermen tegen Hamas. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat Hamas ook in Zweden actief is naar een artikel van Alarabiya. Verder wijst eiser op het artikel ‘Government’s response to the war between Israel and Hamas’ van de Government Offices of Sweden. Daaruit blijkt dat Zweden zeer pro Palestina is. Daarom kunnen en willen de Zweedse autoriteiten eiser niet beschermen tegen de bedreiging van Hamas. De minister had moeten onderzoeken of in Zweden systemische tekortkomingen bestaan ten aanzien van de bescherming tegen terrorisme gerelateerd geweld.
8. De rechtbank overweegt als volgt. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming heeft. De aanvraag wordt alleen niet-ontvankelijk verklaard als de lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt en de vreemdeling een zodanige band heeft met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van zo’n band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is of subsidiaire bescherming heeft.
9. De beroepsgrond slaagt niet. De minister mag er in beginsel vanuit gaat dat Zweden zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van eiser nakomt. Eiser heeft geen algemene informatie ingebracht waaruit blijkt dat Zweden deze verplichtingen niet nakomt. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit in zijn individuele situatie anders is. Eiser had in Zweden huisvesting, werk en toegang tot zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Zweedse autoriteiten hem niet kunnen beschermen tegen de gestelde bedreiging door Hamas. Eiser heeft geen aangifte gedaan bij de politie of andere wegen bewandeld om bescherming te krijgen van de autoriteiten. Dat had wel van eiser verwacht mogen worden. De minister heeft verder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat de Zweedse autoriteiten eiser niet kunnen of willen beschermen tegen de bedreiging van Hamas. Uit de informatie die eiser heeft overgelegd, blijkt niet dat de Zweedse autoriteiten in een individueel geval geen bescherming kunnen of willen bieden aan mensen die door Hamas worden bedreigd. Dat de Zweedse autoriteiten pro Palestina zouden zijn, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij Hamas steunen of in Zweden niet zou willen optreden tegen deze organisatie. Het door eiser overgelegde document vermeldt bovendien dat de Zweedse overheid internationale sancties tegen Hamas steunt en daaraan actief deelneemt.
Banden met Zweden en Nederland
10. Eiser voert aan dat de minister zich in het besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen sterkere band heeft met Nederland dan met Zweden. Eiser krijgt sinds november 2024 in Nederland behandeling voor PTSS, depressie en aanverwante klachten. Onderbreking van deze behandeling zal eisers klachten verergeren. De continuïteit van de zorg in Nederland weegt zwaarder dan de formele status van eiser in Zweden. De band met Zweden is verbroken door de dreiging van Hamas. Eiser heeft Zweden bovendien al meer dan twee jaar geleden verlaten. Verder heeft eiser familie in België, dichtbij Nederland, wat zijn integratie versterkt. De minister heeft deze omstandigheden niet of niet voldoende meegewogen.
11. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft internationale bescherming in Zweden, waardoor hij in beginsel een zodanige band heeft met Zweden dat het redelijk is dat hij daar naar toe gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op de zitting op het standpunt kunnen stellen dat de medische stukken die eiser heeft overgelegd niet tot een ander oordeel leiden. Uit de medische stukken die eiser heeft overgelegd blijkt niet dat onderbreking van de behandeling zal leiden tot verergering van eisers klachten of dat behandeling van de klachten in Nederland moet plaatsvinden. Bovendien mag de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat behandeling in Zweden voor eiser toereikend en beschikbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder kunnen overwegen dat uit de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht niet is gebleken dat eiser niet (meer) een zodanige band heeft met Zweden dat het redelijk is dat hij daar naar toe gaat. Eiser heeft sinds 2014 in Zweden verbleven en heeft sinds 2016 een permanente verblijfsvergunning. Dat hij inmiddels twee jaar niet meer in Zweden verblijft, maakt niet dat hij geen band meer heeft met Zweden. De gestelde aanwezigheid van familie in België leidt ook niet tot de conclusie dat eiser een sterkere band heeft met Nederland dan met Zweden.
Conclusie
12. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2441).
Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:740).