Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:21342
Civiel recht
Kort geding
8,239 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/693405 / KG ZA 25-1039
Vonnis in kort geding van 7 november 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2] te [woonplaats 1] ,3. [eiser 3] te [woonplaats 2] ,4. [eiser 4] te [woonplaats 2] ,
eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. C.A. Nagel,
tegen
1 [gedaagde 1] , zonder bekende woonplaats binnen of buiten Nederland,
verschenen in persoon,2. [gedaagde 2], feitelijk zonder bekende woonplaats of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
niet verschenen,3. [gedaagde 3] te [woonplaats 3] ,
advocaat: mr. A.F.J. Jacobs,4. [gedaagde 4] te [woonplaats 3] ,
advocaat: mr. A.F.J. Jacobs,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
waarin zijn tussengekomen
1. [gedaagde 3] te [woonplaats 3] ,
2. [gedaagde 4] te [woonplaats 3] ,
advocaat: mr. A.F.J. Jacobs.
hierna samen te noemen: [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 oktober 2025, met producties;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair tot voeging van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., met producties en aanvullende producties;
- het verweerschrift van [gedaagde 1] , met producties en aanvullende producties;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. De advocaat van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
1.3.
Na het uitroepen van de zaak heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat [gedaagde 2] behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar dat zij daar niet is verschenen. Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend.
1.4.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2Het incident tot tussenkomst subsidiair voeging
2.1.
[gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben primair gevorderd in de procedure tussen [eisers] c.s. enerzijds en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en henzelf anderzijds te mogen tussenkomen, en subsidiair gevorderd zich in die procedure te mogen voegen aan de zijde van [eisers] c.s. [eisers] c.s. hebben verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. [gedaagde 1] heeft wel bezwaar gemaakt. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat voor hem in verband met de korte oproepingtermijn geen advocaten beschikbaar waren en dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om goed verweer te kunnen voeren.
2.2.
De voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat een partij kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wil instellen en daarmee voldoende belang heeft zich te mengen in het aanhangige geding (het hoofdgeding) in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in het hoofdgeding kan ondervinden. Het is evident dat [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. groot belang hebben bij nakoming van de koopovereenkomst. Afgezien van het feit dat zij er recht op hebben dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning conform de condities van de koopovereenkomst aan hen leveren, hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. in dit verband aangevoerd dat zij deels al uitvoering hebben gegeven aan de koopovereenkomst door de overeengekomen waarborgsom van € 169.000,00 bij de notaris te storten. Verder hebben zij, ervan uitgaande dat de woning overeenkomstig de koopovereenkomst aan hen geleverd zou worden, een naast de woning gelegen perceel van 9 m2 gekocht en in eigendom verkregen, welke aanschaf voor hen zinledig en nadelig is, als de woning door de weigerachtige opstelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uiteindelijk niet aan hen wordt geleverd. Tegen de achtergrond van deze door [gedaagde 1] niet bestreden stellingen begrijpt de voorzieningenrechter dat [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. bevreesd zijn dat indien de vorderingen van [eisers] c.s. in het hoofdgeding niet (volledig) worden toegewezen en [gedaagde 1] c.s. als gevolg daarvan nalatig blijven in het voldoen aan hun verplichting de woning te leveren, [eisers] c.s. er alsnog voor zullen kiezen de woning executoriaal te doen veilen, althans [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. zich genoodzaakt zouden zien de koopovereenkomst te ontbinden. Dat zou een voor [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. nadelige uitkomst zijn, mede omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verhaal bieden. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. aannemelijk hebben gemaakt dat zij voldoende belang hebben zich in het hoofdgeding te mengen en daarin de onder 4.3 vermelde vorderingen in te stellen. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst is bovendien (processueel) doelmatig, omdat daardoor de beoordeling van de vorderingen en verweren van alle betrokken bij het geschil in één procedure kan plaatsvinden en tegenstrijdige beslissingen, die zich bij verwijzing van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. naar een afzonderlijke procedure zouden kunnen voordoen, worden voorkomen.
2.3.
In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 20 oktober 2025 (hierna: het kortgedingvonnis), heeft de voorzieningenrechter de vordering tot tussenkomst van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. afgewezen, omdat in dat kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 2] , aan wie ook in die procedure verstek is verleend, tijdig in kennis was gesteld van de voorgenomen tussenkomst en de eigen vorderingen van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. Thans hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. [gedaagde 2] wel tijdig in kennis gesteld van hun voornemen daartoe. [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] immers voorafgaand aan de mondelinge behandeling van hun voorgenomen tussenkomst op de hoogte gesteld, door middel van aangetekende e-mails van 24 oktober 2025 (met als bijlage de incidentele conclusie tot tussenkomst), de openbare betekening van de incidentele conclusie tot tussenkomst bij exploot van 23 oktober 2025 en de betekening van die conclusie bij exploot van 24 oktober 2025 aan het (vermoedelijke) verblijfsadres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daarmee zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vijf dagen voor de mondelinge behandeling in kennis gesteld van de voorgenomen tussenkomst en de vorderingen van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. In een spoedeisende zaak als deze volstaat een dergelijke termijn voor het vinden van een advocaat en het voeren van verweer. Het bezwaar van [gedaagde 1] dat de termijn te kort was, wordt daarom verworpen. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat de tussenkomst nauw verbonden is met de vordering van [eisers] c.s., dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bekend zijn met de zaak en dat het geen ingewikkelde materie betreft. Het gaat immers over de nakoming van de door henzelf gesloten koopovereenkomst en de zaak is een vervolg op een eerder kort geding dat partijen zeer recent hebben gevoerd.
2.4.
Verder is niet gebleken dat de inmenging van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. een voortvarende afdoening van dit geschil in dit (nieuwe) kort geding in de weg staat. Door de tussenkomst ontstaat ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen. [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. zijn daarom toegelaten als tussenkomende partij. De subsidiaire vordering tot voeging behoeft dan ook geen beoordeling.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna ook: [gedaagde 1] c.s.) zijn eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te [plaats] , kadastraal bekend:
- gemeente [plaats] , [kadastraal nummer 1] , kadastrale grootte 676 m2;
- gemeente [plaats] , [kadastraal nummer 2] , kadastrale grootte 217 m2;
(hierna: de woning). De woning is bezwaard met een of meer rechten van hypotheek ten behoeve van [eisers] c.s.
3.2.
Op enig moment hebben [eisers] c.s. de hypothecaire geldleningen opgeëist en de executieverkoop van de woning in gang gezet.
3.3.
Op 29 april 2025 hebben [gedaagde 1] c.s. en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., onder opschortende voorwaarde van rechterlijke goedkeuring, met betrekking tot de woning een onderhandse koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten. De overeengekomen koopprijs bedraagt € 1.690.000,-, kosten koper. In artikel 7.1 van de koopovereenkomst staat vermeld dat de verkoper ervoor instaat dat de woning bij de feitelijke levering:
onvoorwaardelijk vrij is van aanspraken tot gebruik
ongevorderd is, en
behoudens de eventueel meeverkochte roerende zaken, leeg en ontruimd is.
3.4.
Mede naar aanleiding van bezwaren van [eisers] c.s. hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. op 24 juli 2025 aanvullende afspraken met betrekking tot deze koopovereenkomst vastgelegd in een addendum (hierna: het addendum). In het addendum is opgenomen dat partijen instemmen met een leveringsdatum van zes weken na goedkeuring van de koopovereenkomst en het addendum. Verder staat in het addendum dat partijen instemmen met de door [eisers] c.s. voorgestelde executerende notaris (hierna: de notaris).
3.5.
Bij beschikking van 14 augustus 2025 (hierna: de Beschikking) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de koopovereenkomst met addendum goedgekeurd.
3.6.
Medio september 2025 heeft de notaris voor de levering van de woning een eerste conceptakte opgesteld. Naar aanleiding van opmerkingen van vooral [gedaagde 1] is de akte verschillende keren aangepast, tot uiteindelijk Versie V. Verder heeft de notaris naar aanleiding van door [gedaagde 1] opgeworpen bezwaren en suggesties puntsgewijs een toelichting gegeven. [gedaagde 1] c.s. hebben geweigerd Versie V te ondertekenen.
3.7.
[gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben de in de koopovereenkomst overeengekomen waarborgsom van € 169.000,00 bij de notaris gestort. Verder is inmiddels een klein perceel van 9 m2 gelegen naast de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. geleverd.
3.8.
Op 30 september 2025 hebben [eisers] c.s. een kort geding aanhangig gemaakt tegen [gedaagde 1] c.s. en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. en gevorderd [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot medewerking aan de levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., zulks primair op straffe van lijfsdwang en subsidiair op straffe van een dwangsom. In die procedure is tegen [gedaagde 2] verstek verleend. [gedaagde 1] is wel verschenen. In dit kort geding hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van [eisers] c.s. De vordering tot tussenkomst is afgewezen. [gedaagde 3 en gedaagde 4] zijn wel toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van [eisers] c.s.
3.9.
Bij het kortgedingvonnis van 20 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde 1] c.s. veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dat vonnis hun medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte ten behoeve van de levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., een en ander zoveel mogelijk conform Versie V van de conceptakte, zulks op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte ervan, met een maximum van € 500.000,00. De door [eisers] c.s. primair gevorderde lijfsdwang is afgewezen.
3.10.
In het kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter met betrekking tot de vorderingen tegen [gedaagde 1] onder meer overwogen dat de levering van de woning op grond van de Beschikking en de tussen [gedaagde 1] c.s. en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. gesloten koopovereenkomst met addendum uiterlijk 25 september 2025 had moeten plaatsvinden en tot uitgangspunt genomen dat [gedaagde 1] tegenover [eisers] c.s. en tegenover [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. verplicht is om op zo kort mogelijke termijn mee te werken aan de levering van de woning. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat door [gedaagde 1] tegen de leveringsakte naar voren gebrachte bezwaren ongegrond zijn, dat uit niets blijkt dat Versie V van de conceptakte niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat [gedaagde 1] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn weigering om medewerking te verlenen aan het passeren van die akte.
3.11.
[eisers] c.s. hebben het kortgedingvonnis op 20 oktober 2025 aan [gedaagde 1] c.s. doen betekenen, waarna partijen voor 22 oktober 2025 een afspraak hebben gemaakt met de notaris.
3.12.
Op 22 november 2025 heeft de notaris in verband met bezwaren van [gedaagde 1] c.s. en na akkoord van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. nog enige wijzigingen doorgevoerd in de leveringsakte. Hierbij is onder meer de passage over de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen en beslagen komen te vervallen. Vervolgens hebben [gedaagde 1] c.s. de notaris verzocht om in de leveringsakte op te nemen dat de woning in bewoonde staat is. [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben geweigerd hiermee akkoord te gaan. [gedaagde 1] c.s. hebben de leveringsakte vervolgens niet ondertekend.
Geschil
4.1.
[eisers] c.s. vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen om binnen 2 uur na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte ten behoeve van de levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] , een en ander zoveel mogelijk conform Versie V van de conceptakte, op straffe van toepassing van lijfsdwang;
II. met zodanige (verdere) uitspraak als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten.
4.2.
[eisers] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag.
Ondanks het kortgedingvonnis en de daarin opgelegde dwangsom hebben [gedaagde 1] c.s. op 22 oktober 2025 geweigerd de leveringsakte te ondertekenen. Hiermee staat vast dat de dwangsom onvoldoende uitkomst biedt. [eisers] c.s. hebben er daarom recht op en een spoedeisend belang bij dat [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld tot medewerking aan het verlijden van de leveringsakte, maar nu op straffe van lijfsdwang.
4.3.
[gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
[gedaagde 1] c.s. te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte van levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., overeenkomstig de koopovereenkomst met addendum, zulks op straffe van lijfsdwang;
te bepalen dat indien [gedaagde 1] c.s. ook 72 uur na betekening van dit vonnis geen uitvoering heeft gegeven aan de hiervoor vermelde veroordeling, dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde medewerking van [gedaagde 1] c.s.;
[gedaagde 1] c.s. te veroordelen de woning na de levering geheel ontruimd en leeg ter beschikking te stellen voor feitelijke levering, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten.
4.4.
Aan deze vordering leggen [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. het volgende ten grondslag.
[gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben aan hun uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen voldaan en de notariële en feitelijke levering kan direct plaatsvinden zodra [gedaagde 1] c.s. meewerken. [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. hebben er recht op dat de woning zo snel mogelijk aan hen wordt geleverd. Zij zijn particuliere kopers en hebben voor de woning een hypotheek afgesloten. Daarnaast hebben zij hun huidige woning te koop staan. Indien [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. genoodzaakt worden om de koop te ontbinden, heeft dat voor hen grote financiële gevolgen, terwijl [gedaagde 1] c.s. geen enkel verhaal bieden. Het kortgedingvonnis heeft ondanks de daarin opgelegde dwangsom niet tot levering geleid. [gedaagde 1] c.s. blijven steeds nieuwe eisen stellen en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. vrezen dat dat niet zal veranderen. Gelet op het voorgaande hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. er recht op en belang bij dat [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan het passeren van de leveringsakte, eerst op straffe van toepassing van lijfsdwang en vervolgens met bepaling dat dit vonnis zo nodig voor de medewerking van [gedaagde 1] c.s. in de plaats treedt. Aangezien [gedaagde 1] c.s. in strijd met de koopovereenkomst als voorwaarde hebben gesteld dat de woning in bewoonde staat geleverd wordt, hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. er daarnaast belang bij dat [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om de woning na de juridische levering feitelijk in ontruimde staat aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. ter beschikking wordt gesteld.
4.5.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s. en [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.
4.6.
[gedaagde 1] voert hiertoe het volgende aan.
[gedaagde 1] wil zo spoedig mogelijk tot levering overgaan, maar alleen op basis van een correcte leveringsakte. [gedaagde 1] heeft daarom direct na ontvangst van het vonnis contact opgenomen met de notaris. De notaris is echter nog niet tegemoet gekomen aan de bezwaren van [gedaagde 1] c.s. en de notaris wilde [gedaagde 1] c.s. ook niet vooraf ontvangen om deze bezwaren te bespreken, terwijl de notaris kennelijk wel contact heeft gehad met [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. Verder heeft [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. ten onrechte de voorgestelde wijziging met betrekking tot de feitelijke situatie van de woning geweigerd.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde 1] c.s. verplicht zijn om de woning te leveren aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. In geschil is of in het kortgedingvonnis opgelegde veroordeling moet worden versterkt met lijfsdwang, dan wel met bepaling dat dit vonnis zo nodig van de benodigde medewerking van [gedaagde 1] c.s. in de plaats zal treden van of [gedaagde 1] c.s. Bij de beoordeling moet onderscheid gemaakt worden tussen de vorderingen tegen [gedaagde 1] en die tegen [gedaagde 2] .
De vorderingen tegen [gedaagde 1]
5.2.
In het kortgedingvonnis zijn [gedaagde 1] c.s. op vordering van [eisers] c.s. veroordeeld om binnen twee dagen mee te werken aan het passeren van de leveringsakte, zoveel mogelijk overeenkomstig Versie V van de door de notaris opgestelde conceptakte. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de door [gedaagde 1] naar voren gebrachte bezwaren ongegrond zijn en dat uit niets blijkt dat de leveringsakte niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Toch heeft [gedaagde 1] geweigerd de leveringsakte te ondertekenen, ook nadat daarin naar aanleiding van zijn verzoek (en dat van [gedaagde 2] ) en na goedkeuring van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. nog wijzigingen waren aangebracht. De gronden die [gedaagde 1] in dit kort geding voor deze weigering heeft gegeven zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ondeugdelijk. De voorzieningenrechter licht dit toe als volgt.
5.3.
Op grond van de in de Beschikking goedgekeurde koopovereenkomst met addendum dient [gedaagde 1] ervoor te zorgen dat de woning zo snel mogelijk geleverd wordt aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. Dit is zowel in het belang van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. als in het belang van [eisers] c.s., die gerechtigd zijn hun vorderingen te verhalen uit de verkoopopbrengst. Zoals in het kortgedingvonnis is overwogen, betreft de verkoop aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. een executieverkoop. Dit betekent dat na levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. en de voldoening van de koopprijs de op de woning rustende hypotheken en beslagen komen te vervallen. Anders dan [gedaagde 1] heeft betoogd, heeft hij dus geen belang bij controle van royementsvolmachten. Er bestaat daarom ook geen bezwaar tegen het weghalen van de passage over doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen.
5.4.
Verder is het evident dat [gedaagde 1] niet van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. mag verlangen dat zij ermee instemmen dat in de leveringsakte wordt opgenomen dat de woning bewoond is. Op grond van de koopovereenkomst is [gedaagde 1] gehouden de woning onvoorwaardelijk en vrij van aanspraken tot gebruik en, behoudens de eventueel meeverkochte roerende zaken, leeg en ontruimd te leveren aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. Het ligt dan ook op de weg van [gedaagde 1] om ervoor te zorgen dat de woning voorafgaand aan de ondertekening van de leveringsakte in de overeengekomen staat verkeert. Hoewel [gedaagde 1] zich heeft laten uitschrijven van het adres van de woning en de overeengekomen leveringsdatum al gepasseerd is, heeft [gedaagde 1] de woning kennelijk nog steeds in gebruik, dan wel opnieuw in gebruik genomen. Ter zitting hebben [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. verklaard dat zij ermee instemmen dat de juridische levering plaatsvindt voorafgaand aan de feitelijke levering en dat zij afzien van inspectie van de woning. Deze coulance van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. mag niet aan hen worden tegengeworpen.
5.5.
De op 22 oktober 2025 aan partijen voorgelegde leveringsakte (productie 5 van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.) voldoet, net als eerder Versie V, aan de daaraan te stellen eisen. [gedaagde 1] heeft geen rechtens te respecteren belang om niet mee te werken aan het passeren van die akte.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had [gedaagde 1] zijn medewerking daarom niet opnieuw mogen weigeren. Naar voorlopig oordeel heeft [gedaagde 1] gehandeld in strijd met het kortgedingvonnis.
De vorderingen van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.
5.6.
Door te weigeren de leveringsakte te ondertekenen is [gedaagde 1] daarnaast tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de koopovereenkomst om de woning tijdig te leveren. Inmiddels heeft [gedaagde 1] ruimschoots de gelegenheid gehad om eventuele bezwaren tegen de tekst van de leveringsakte kenbaar te maken. Deze bezwaren zijn door de notaris geadresseerd en deels verworpen. Zoals hiervoor is overwogen voldoen de [gedaagde 1] voorgelegde aktes aan de daaraan te stellen eisen. Gelet hierop weegt het belang van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. bij spoedige levering van de woning zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] om nog nader in te zoomen op de details van de leveringsakte. De voorzieningenrechter zal [gedaagde 1] daarom veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan 10 november 2025 10:00 uur, mee te werken aan het passeren van de leveringsakte, zoveel mogelijk conform de laatste versie daarvan (productie 5 van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.).
5.7.
Zoals subsidiair door [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. gevorderd, zal de voorzieningenrechter bepalen dat indien [gedaagde 1] met deze medewerking in gebreke blijft, dit vonnis zo nodig op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW van die medewerking in de plaats treedt.
5.8.
De primair door [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. gevorderde lijfsdwang wordt afgewezen. Toewijzing van dit zeer ingrijpende dwangmiddel is pas aan de orde indien aannemelijk is dat de toepassing van andere dwangmiddelen onvoldoende uitkomst biedt. Aangezien [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. de medewerking van [gedaagde 1] door middel van reële executie kunnen vervangen, is aan de voorwaarde voor oplegging van lijfsdwang niet voldaan.
5.9.
Op grond van de koopovereenkomst met addendum zoals goedgekeurd in de Beschikking moet [gedaagde 1] (samen met [gedaagde 2] ) de onbezwaarde eigendom overdragen aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. Zoals hiervoor is overwogen brengt dat mee dat [gedaagde 1] er, in beginsel, voor moet zorgen dat de woning voorafgaand aan de levering is ontruimd. Gelet op de wens van [gedaagde 1] dat in de leveringsakte moet wordt opgenomen dat de woning in bewoonde staat is en [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling niet heeft toegezegd dat hij de woning zal verlaten, acht de voorzieningenrechter de door [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. gevorderde ontruiming op de hierna te vermelden wijze toewijsbaar.
5.10.
De vordering om de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen wordt, bij gebrek aan belang, afgewezen, aangezien deze bevoegdheid al volgt uit de artikelen 555 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De vorderingen van [eisers] c.s.
5.11.
De vordering van [eisers] c.s. komt erop neer dat de veroordeling in het kortgedingvonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard. Gelet op de toewijzing van de vordering van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., acht de voorzieningenrechter de oplegging van lijfsdwang niet op zijn plaats. Indien [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. de levering van de woning weten te bewerkstelligen, hebben [eisers] c.s. geen gerechtvaardigd belang meer bij de oplegging van lijfsdwang. De vordering van [eisers] c.s. wordt daarom afgewezen.
De vorderingen tegen [gedaagde 2]
5.12.
Mede gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de vorderingen tegen [gedaagde 1] , acht de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. tegen [gedaagde 2] niet onrechtmatig of ongegrond.
Conclusie
5.13.
De slotsom is dat de vorderingen van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen. De vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen. [gedaagde 1] c.s. zijn in hun verhouding tot [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. betalen. Ondanks de afwijzing van de vordering van [eisers] c.s. zijn [gedaagde 1] c.s. ook in de verhouding tot [eisers] c.s. aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. [gedaagde 1] c.s. hebben immers zonder goede reden in strijd met het kortgedingvonnis geweigerd om mee te werken aan de levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. [eisers] c.s. hadden daarom zonder meer een belang bij het aanhangig maken van dit kort geding. Indien [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. niet waren tussengekomen, is bepaald niet ondenkbaar dat de vordering van [eisers] c.s. zou zijn toegewezen.
De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
165,92
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.781,92
De proceskosten van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.616,00
5.14.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan 10 november 2025, hun medewerking te verlenen aan de akte van levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s., zoveel mogelijk overeenkomstig de leveringsakte van 22 oktober 2025 (productie 5 van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.);
6.2.
bepaalt dat indien [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] geen uitvoering geven aan voormelde veroordeling, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van dat deel van de notariële akte van levering waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] dat zij instemmen met de levering van de woning aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.;
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. de woning na levering te ontruimen en deze geheel ontruimd en leeg ter beschikking te stellen aan [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s.;
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [eisers] c.s. van € 1.840,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 3 en gedaagde 4] c.s. van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
WJ
ECLI:NL:RBDHA:2025:19366