Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:21304
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,155 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53024
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer](gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1989. Eiser is niet gedocumenteerd. Hij is - na strafrechtelijke vrijheidsbeneming - op 26 oktober 2025 overgenomen en vreemdelingenrechtelijk opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet kon worden vastgesteld. Uit het dossier en de behandeling ter zitting volgt dat eiser bij deze overname een asielwens heeft uitgesproken. Dit betekent dat eiser terecht is aangemerkt als asielzoeker en dat verweerder gelet daarop de maatregel terecht heeft gebaseerd op zijn bevoegdheid genoemd in artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De omstandigheid dat eiser geen asielaanvraag wenste te ondertekenen en geen vingerafdrukken wenste af te staan doet daaraan niet af.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag.
3. Daarbij is door verweerder terecht gesteld dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a, Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht om Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen, zodat daarmee het risico op onttrekking aan het toezicht en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure is gegeven.
5. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.