Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21250
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,388 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53340
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 6 november 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1985.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds 29 september 2025 onrechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Daarbij stelt eiser dat hij reeds sinds 21 maart 2025, derhalve inmiddels 33 weken, in bewaring verblijft (de maatregel is eerder op andere gronden opgelegd). Verweerder heeft op 28 maart 2025 een lp-aanvraag ingediend en sindsdien al dertien keer gerappelleerd bij de Algerijnse nationaliteiten. Op 28 oktober 2025 is de nationaliteit van eiser bevestigd. Dit heeft echter niet tot een afgifte van een lp geleid. Er hebben daarnaast zeven vertrekgesprekken plaatsgevonden met eiser.
5. Uit de rechtspraak volgt dat in het geval van Algerije in het algemeen wordt aangenomen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Eerder heeft de rechtbank al vastgesteld dat dat voor eiser persoonlijk niet anders is. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 28 oktober 2025 hebben bevestigd. Verder blijkt daaruit dat eiser nu kan worden gepresenteerd en indien hij dit weigert, kan de regievoerder de DIA informeren en een beoordeling maken. Na deze beoordeling kan een vlucht voor eiser worden aangevraagd. Dat er tot op heden geen lp is afgegeven door de Algerijnse autoriteiten is onvoldoende om aan te nemen dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn voor eiser ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser onverminderd de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting. Eiser heeft tot op heden geen enkele aantoonbare inspanning verricht om documenten betreffende zijn identiteit te verkrijgen, terwijl dergelijke medewerking wel van hem kan worden verlangd. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat de Algerijnse autoriteitengeen lp voor hem zullen afgeven.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend is blijven werken aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport van 31 oktober 2025 volgt dat sinds het sluiten van het vorige onderzoek er schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten op 16 oktober 2025. Ook is op 21 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verweerder is bovendien afhankelijk van de medewerking van eiser om de afgifte van een lp te bespoedigen en die medewerking verleent eiser onvoldoende.
7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:17977.
Laissez-passer.
Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
ECLI:NL:RBDHA:2025:15681 en ECLI:NL:RBDHA:2025:12724.
Directie Internationale Aangelegenheden.