Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:21246
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,625 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21930
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift van eiser. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijk verklaring. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente [naam referente], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Besluitvorming
3. Referente, [naam referente], heeft op 5 december 2022 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam referente]’ voor eiser ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2024 afgewezen. Op 3 december 2024 heeft referente namens eiser bezwaar ingediend tegen deze afwijzing. Op 12 december 2024 heeft de minister middels een brief vastgesteld dat het bezwaar te laat is ingediend en referente verzocht aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend. Referente heeft op 26 december 2024 op deze brief gereageerd. Met het besluit van 8 mei 2025 verklaart de minister het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat het bezwaar niet op tijd is ingediend en referente geen geldige reden voor dit verzuim heeft gegeven.
Is eiser in verzuim?
4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser in verzuim is. Eiser is van mening dat in de kennisgeving niet duidelijk staat beschreven op welke manier bezwaar kan worden gemaakt. In de rechtsmiddelenclausule wordt niet vermeld aan welke vereisten een bezwaarschrift moet voldoen, wat de gevolgen zijn van het niet tijdig maken van bezwaar en dat het mogelijk is om een pro forma bezwaarschrift in te dienen. Referente heeft het bijgevoegde declaratieformulier ingevuld en opgestuurd en dacht dat zij daarmee bezwaar had gemaakt. Hier komt nog bij dat eiser niet werd bijgestaan door professionele rechtsbijstand. Eiser wijst ter onderbouwing op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in de kennisgeving duidelijk staat vermeld dat eiser binnen vier weken bezwaar moet maken en waar hij het bezwaarschrift naartoe kan sturen. Hierbij wijst de minister er terecht op dat de informatie juist eenvoudig en beperkt in de kennisgeving wordt opgenomen, zodat dit voor vreemdelingen beter te begrijpen is. Dat referente de taal niet machtig is, komt voor rekening en risico van eiser. Eiser en/of referente had een derde kunnen vragen om hem/haar te helpen en/of het bestreden besluit te vertalen. Het beroep op de uitspraak van het CBb treft geen doel, omdat geen sprake is van een geringe termijnoverschrijding. Ook is niet gebleken van ernstige persoonlijke omstandigheden of van externe omstandigheden. De stelling dat referente niet werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde, waarbij de minister terecht opmerkt dat niet is gebleken dat referente niet eerder hulp van een derde of een gemachtigde heeft kunnen vragen.
Heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, het bezwaarschrift ver buiten de wettelijke bezwaartermijn is ontvangen en gelet op rechtsoverweging 3.1 niet is gebleken van een gegronde reden voor termijnoverschrijding. Hierdoor is het bezwaarschrift terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
CBb 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb.