Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21231
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,487 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52701
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 19 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Ophouding
3. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. Volgens eiser was zijn identiteit op het moment van de ophouding al bekend, waaronder zijn naam en V-nummer, aangezien hij direct aansluitend op zijn strafrechtelijke heenzending is overgenomen door de vreemdelingenautoriteiten en zijn gegevens al bekend waren uit het eerder strafrechtelijk voortraject. Ter verdere onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2025.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister artikel 50, tweede lid, van de Vw terecht aan de ophouding ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2021 en 8 augustus 2025. Daaruit volgt dat bij de ophouding mag worden uitgegaan van de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling, maar dat dit niet betekent dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. Dat de naam en het V-nummer van eiser al bij de autoriteiten bekend waren vanuit het strafrechtelijke traject, betekent daarom niet dat zijn identiteit volledig vaststond of als leidend moet worden beschouwd. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van ophouding dat eiser niet beschikte over een identiteitsbewijs op grond waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak is de minister wel uitgegaan van de gegevens die uit het strafrechtelijke traject waren overgenomen, maar zoals hiervoor al overwogen, hoeven dergelijke gegevens niet als vaststaand te worden beschouwd.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 15 augustus 2024 een terugkeerbesluit en op 24 januari 2025 een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Alle in de maatregel genoemde zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat, dan wel dat eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
6.1.
De rechtbank stelt verder vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar zijn gemaakt en voldoende bij de beoordeling van de maatregel zijn betrokken. In de maatregel wordt uitdrukkelijk vermeld wat eiser heeft verklaard over zijn gezondheidssituatie en zijn alcoholgebruik. Daarnaast wordt in de maatregel erop gewezen dat, zolang eiser is ingesloten op de politie-locatie, hij een beroep kan doen op de FARR-arts en zich te allen tijde kan wenden tot het medische team dat aanwezig is op het detentiecentrum. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Bovendien heeft de minister op de zitting toegelicht dat eiser een intake zal krijgen bij de medische dienst op het detentiecentrum en dat, mocht worden vastgesteld dat sprake is van psychische problematiek, een eventuele behandeling kan worden gestart. De medische zorg is daarmee voldoende gewaarborgd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals eiser stelt, te oordelen dat sprake is van een motiveringsgebrek.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 21 oktober 2025, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister de eerdere lp, die op 2 augustus was verlopen, op 23 oktober 2025 ontvangen en deze dezelfde dag nog teruggestuurd, zodat een nieuwe lp kon worden verstrekt. Op 24 oktober 2025 is de nieuwe lp aangevraagd en enkele dagen later ontvangen, waarna een vlucht voor eiser is geboekt. Deze vlucht staat gepland op 10 november 2025. Verder heeft de minister op 4 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en eiser op de hoogte gesteld van de geplande vlucht. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, waarin nogmaals is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Een lp is afgegeven en een vlucht voor eiser staat gepland op 10 november 2025.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 16 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10475.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:134.
ECLI:NL:RVS:2025:3719.
Laissez-passer.
ECLI:NL:RVS:2025:219.