Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21211
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,651 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum].
Van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser is met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 9 oktober 2023 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3i, 4a, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiser was bij aanmelding in Nederland niet in het bezit van een reisdocument of visum en heeft verklaard in 2021 de Europese Unie illegaal te zijn binnengereisd via Spanje, en vervolgens in juni/juli Nederland te zijn binnengekomen. Hieraan heeft de minister terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dat eiser op 27 oktober 2025, in het kader van de Dublinprocedure, is overgedragen vanuit Frankrijk, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast is grond 3b feitelijk juist. Eiser heeft zich bij binnenkomst niet gemeld bij de korpschef en is op 23 augustus 2023 met onbekende bestemming vertrokken. De enkele stelling van eiser dat er sprake was van een vergissing en dat hij destijds per ongeluk de trein naar Parijs had genomen in plaats van naar Groningen, maakt dit oordeel niet anders. Ook is grond 3c feitelijk juist. Eiser heeft op 9 oktober 2023 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat er geen gemachtigde bekend was en dat de beschikking niet in persoon kenbaar kon worden gemaakt aan eiser, omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken. De beschikking is daarom, in overeenstemming met het beleid, ter inzage gelegd op de locatie Budel en de melding van de terinzagelegging is op de daarvoor bestemde plek opgehangen. Dat eiser niet op de hoogte was van het terugkeerbesluit en de daaraan verbonden terugkeerverplichting komt dan ook voor zijn rekening en risico. Verder is grond 3d feitelijk juist. Eiser heeft geen aantoonbare actie ondernomen om aan identificerende documenten te komen. Eiser heeft deze grond ook niet betwist. Tot slot is grond 3i feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor van 27 oktober 2025 verklaard dat hij niet wil en kan terugkeren naar Algerije, en dat hij in Nederland wil blijven. De stelling van eiser dat hij niet tegenwerkt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
5.2.
Ten aanzien van de lichte gronden is de rechtbank van oordeel dat deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat de minister de relevantie van deze gronden voor het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft zich niet gehouden aan de meldplicht, zoals bedoeld in artikel 4.39 van het Vb en artikel 4.51 van het Vb, en is niet in het bezit van een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De enkele stelling dat hij dit wel heeft, is hiervoor onvoldoende. Tot slot heeft eiser verklaard op de markt en bij iemand in de tuin zwart te hebben gewerkt in Nederland. Hieruit valt voldoende af te leiden dat sprake is van arbeid in strijd met de Wav.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden of persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij detentieongeschikt is, zonder dit met stukken te onderbouwen, is hiervoor onvoldoende. In de maatregel heeft de minister aangegeven dat, mocht zich onverhoopt een medische omstandigheid voordoen, de behandeling in de detentie- en uitzetcentra kan worden aangevraagd, aangevangen of voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De medische zorg is daarmee voldoende gewaarborgd.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de eerste dag van de inbewaringstelling, namelijk op 29 oktober 2025, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister op 31 oktober 2025 een lp-aanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zoals volgt uit Paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Wet arbeid vreemdelingen.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.