Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21170
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
866 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53900
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 31 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank, op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 29 augustus 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft op 7 november 2025 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 augustus 2025).
Is het voortduren van de maatregel onrechtmatig?
3. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend. In zoverre ziet de rechtbank geen reden om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. De rechtbank ziet – ambtshalve - in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16198.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU, 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.