Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:21062
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,536 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5180
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, het college
(gemachtigde: [naam 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] (belanghebbende)
(gemachtigde: mr. J.M. Smits).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van verzoekster. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
1.2.
Dit oordeel van de voorzieningenrechter, dat hierna wordt toegelicht, heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 14 april 2025 heeft verzoekster het college verzocht om handhavend op te treden tegen een cryogene opslagtank voor stikstof op het adres [adres 1] te [plaats] , waar het bedrijf van belanghebbende is gevestigd. Verzoekster is eigenaar van het aangrenzend perceel [adres 2] .
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met verweerschriften op 2 september 2025 en 21 oktober 2025. Laatstgenoemd verweerschrift is ingediend buiten de in artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn waarbinnen nadere stukken kunnen worden ingediend (tot één dag voor de zitting) en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Ook belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [naam 3] , als vervanger van de gemachtigde van het college en de gemachtigde van belanghebbende.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
4. Verzoekster heeft gevraagd een voorlopige voorziening te treffen in verband met het gebruik van de stikstoftank van belanghebbende. Zij wenst dat het gebruik van deze tank wordt opgeschort tot de beslissing op bezwaar. Verzoekster stelt dat de opslagtank in strijd is met de geldende milieuwet- en regelgeving en risico’s voor de veiligheid en het milieu met zich meebrengt.
5. Naar de mening van het college heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij de beoordeling van het bestreden besluit.
6. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd toegelicht dat bij haar de vrees bestaat dat personeel dat in de toekomst op haar perceel werkzaam zal zijn in geval van een calamiteit met de stikstoftank blootgesteld kan worden aan een stikstofwolk die een verstikkende werking heeft. Verzoekster heeft aangegeven dat zij op korte termijn een aanvraag om een omgevingsvergunning zal indienen voor de bouw van een kantoorpand op haar perceel. Zij vreest dat de aanwezigheid van de opslagtank een belemmering vormt voor het verlenen van die vergunning.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het perceel van verzoekster op dit moment niet wordt gebruikt en dat daarop geen bebouwing aanwezig is. Voor haar plannen met het perceel heeft verzoekster thans nog geen omgevingsvergunning aangevraagd. Namens het college is ter zitting de verwachting uitgesproken dat de beslissing op bezwaar rond het eind van dit jaar zal worden genomen. Dit betekent dat de termijn waarop moet worden beslist op een eventuele nog in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning niet zal verstrijken vóórdat de beslissing op bezwaar zal zijn genomen. Het is daarom niet aannemelijk dat met de bouw van het kantoorpand zal zijn gestart voordat op het bezwaar is beslist. Verzoekster heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid of het gebruik van de stikstoftank een belemmering vormt voor het verlenen van de omgevingsvergunning, nog los van het feit dat zij daarvoor nog geen aanvraag heeft ingediend. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, omdat zich geen onomkeerbare gevolgen zullen voordoen die voortvloeien uit de aanwezigheid en het gebruik van de stikstoftank op het perceel van belanghebbende voordat de beslissing op bezwaar zal zijn genomen.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
griffier
de voorzieningenrechter is verhinderd
mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Abusievelijk gedateerd op 28 mei 2025.