Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:20990
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,858 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37769
uitspraak van de enkelvoudige kamer van *** in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Ook heeft de minister het verzoek om heroverweging van eiser terecht afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 17 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft eerder een asielaanvraag gedaan op 25 juni 2018. Deze aanvraag is met het besluit van 7 oktober 2020 afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is met de uitspraak van 20 oktober 2021 ongegrond verklaard.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan demonstraties tegen de Sri Lankaanse autoriteiten. Hierdoor zijn Singalese militairen bij de ouders van eiser langsgekomen in Sri Lanka. Eiser vreest bij terugkeer naar Sri Lanka dat hij gearresteerd zal worden. Hierbij vreest eiser voor zijn leven.
Het bestreden besluit
5. De minister stelt zich op het standpunt dat de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland geloofwaardig wordt geacht. Maar eiser heeft de gestelde vrees dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka door Singalese militairen zal worden gearresteerd, gedetineerd en gemarteld niet aannemelijk gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond is.
Toetsingskader
6. In artikel 29 van de Vw 2000 staat dat een verblijfsvergunning asiel wordt verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is of die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, volgt dat een aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag gegrond is op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
6.1.
Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2023 (Arrest S en A) moet de term politieke overtuiging ruim worden opgevat. De sterkte van de politieke overtuiging die de vreemdeling stelt te hebben en verrichte activiteiten om die overtuiging te uiten zijn relevante elementen voor de beoordeling. Dit geldt ook voor het feit dat die overtuiging de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst van verzoeker heeft gewekt of kan wekken. Ook moet de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid betrekken of en zo ja, hoe de vreemdeling in zijn land van herkomst uiting wenst te gaan geven aan zijn politieke overtuiging en wat de gevolgen daarvan zijn.
Staat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten in Sri Lanka?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in Sri Lanka. Eiser neemt actief deel aan demonstraties, herdenkingsdagen en sportevenementen. Hiermee geeft eiser uiting aan zijn politieke overtuiging. De deelname van eiser aan demonstraties, herdenkingsdagen en sportevenementen toont aan dat eiser zich inzet voor de Tamil Eelam-beweging. Ook is in de vorige procedure geloofwaardig geacht dat eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie. Het kan niet aan eiser worden tegengeworpen dat hij geen foto’s maakt van zichzelf tijdens zijn deelname aan deze activiteiten. Dit wijst juist op een oprechte toewijding aan het hogere doel, het vormen van een onafhankelijke Tamil-staat. Eiser betoogt dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat personen die prominent actief waren voor verboden Tamil organisaties of die zich openlijk hebben uitgesproken voor een onafhankelijk Tamil Eelam een verhoogd risico lopen omdat ze in de aandacht staan van de autoriteiten. Eiser behoort tot de laatst genoemde groep. Hierbij is het van belang dat gezichtsherkenningssoftware is ingezet om misdrijven op te sporen, waardoor de activiteiten van eiser bekend kunnen worden bij de autoriteiten in Sri Lanka. Ook betoogt eiser dat de minister in dit kader ten onrechte aan hem tegenwerpt dat er tegenstrijdige bronnen zijn. Eiser voert aan dat dit risico ten onrechte bij hem wordt neergelegd.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in Sri Lanka. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in Sri Lanka op de hoogte zijn van het feit dat hij zich uit als politiek tegenstander. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de deelname van eiser aan een demonstratie inderdaad geloofwaardig is geacht in de vorige procedure, maar dat de ondervonden problemen naar aanleiding van die demonstratie ongeloofwaardig zijn bevonden. Het gebrek aan beeldmateriaal en sociale media-uitingen versterkt het beeld dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in Sri Lanka. Door de beperkte uitingen op sociale media is het niet aannemelijk dat de autoriteiten in Sri Lanka op de hoogte zijn van de politieke activiteiten van eiser in Nederland. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij een prominente rol heeft binnen de Tamil Eelam-beweging, waardoor hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten in Sri Lanka zal komen te staan. Zoals de minister in het voornemen al heeft overwogen, blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij voornamelijk taken van leiders kreeg en hierin niet zelf de leidende rol pakte. Hierbij stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het betoog van eiser dat de autoriteiten in Sri Lanka deze activiteiten erg vinden, niet voldoende is. Het is hierbij voornamelijk van belang dat eiser zelf aannemelijk maakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten in Sri Lanka. Eiser is hier niet in geslaagd. Met betrekking tot de gezichtsherkenningssoftware stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wordt gezocht door de autoriteiten in Sri Lanka. Het enkel benoemen dat de autoriteiten in Sri Lanka gebruik maken van gezichtsherkenningssoftware, maakt dit niet anders.
Heeft de minister ten onrechte geen heroverweging gemaakt van het besluit van 7 oktober 2020?
8. Eiser voert aan dat de minister het besluit van 7 oktober 2020 had moeten heroverwegen. In dit kader betoogt eiser het volgende. De minister heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan IB 2024/42. Dit maakt dat het bestreden besluit in strijd met IB 2024/42 is genomen. Dit is door eiser aangevoerd in de zienswijze, maar hier is door de minister niet op gereageerd in het bestreden besluit. Het Hof van Justitie van de EU heeft op 21 september 2023 een uitspraak gedaan die van toepassing is op de situatie van eiser, waarna de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 17 januari 2024 uitspraak heeft gedaan. Eiser betoogt dat hieruit volgt dat de minister het nieuwe toetsingskader niet heeft toegepast in het besluit in de vorige procedure van eiser. Daardoor is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, wat aanleiding moet geven voor een heroverweging van het besluit van 7 oktober 2020. Eiser voert ook aan dat de minister hierbij een beoordeling van de politieke overtuiging had moeten maken, zoals is bedoeld in artikel 10, eerste lid aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn. Omdat er een heroverweging van het besluit van 7 oktober 2020 had moeten plaatsvinden, had de minister een dergelijke beoordeling van de politieke overtuiging van eiser moeten maken. Ook verwijst eiser hierbij naar zogenoemde “Country Guidance Case” van het Britse Upper Tribunal. De minister verwijst in het bestreden besluit onterecht naar de eerdere uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 2013, aangezien dit oordeel in de uitspraak van 2021 is herzien. Ook in dat kader had er een heroverweging plaats moeten vinden.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister mocht volstaan met de heroverweging zoals deze is gemaakt in het voornemen en in het bestreden besluit.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rb Den Haag, zp Den Bosch, 20 oktober 2021 NL20.17987 (niet gepubliceerd).
HvJ EU, 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688, r.o. 46-49.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, r.o. 5 en 11.
Hof van Justitie EU, 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63.
Hof van Justitie EU, 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63 r.o. 5.