Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:20986
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22211
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. Sap).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 5 juni 2023. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
1.1.
De minister heeft na de zitting – op 9 juli 2025 – een inwilligende beslissing genomen op de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
Heeft eiser nog een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen?
2. De minister heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de langs elektronische weg ingediende ingebrekestelling niet rechtsgeldig is, wijst de rechtbank op haar eerdere uitspraak van 8 april 2025. Daarnaast was op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn verstreken. Omdat eiser het beroep later dan twee weken na de ingebrekestelling heeft ingediend, had eiser een ontvankelijk en gegrond beroep ingediend.
Besluit van 9 juli 2025
3. De minister is in het besluit van 9 juli 2025 geheel aan de aanvraag van eiser tegemoetgekomen. Eiser bestrijdt de inhoud van dit besluit niet. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de rechtbank nog moet beslissen.
Conclusie
4. Eiser krijgt een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0.5 en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
ECLI:NL:RBDHA:2025:5864.