Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:20976
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,984 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17971
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 11 april 2025 (het bestreden besluit). In dit besluit is eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond en is bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. In het bestreden besluit staat verder nog (ten onrechte) vermeld dat aan eiser op 6 maart 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar zijn opgelegd en dat deze nog steeds van kracht zijn. Tot slot is in het bestreden besluit bepaald dat de vreemdelingenbewaring van eiser met ten hoogste drie maanden wordt verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw.
1.1.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en vindt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Amer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van eisers asielrelaas en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens bespreekt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden en geeft de rechtbank haar oordeel. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.
Eisers asielrelaas
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1976, de Pakistaanse nationaliteit te hebben en tot de Kashmiri bevolkingsgroep te behoren. Op 5 maart 2025 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend.
3.1.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser was van 1997 tot en met januari 2000 actief lid van de groepering Thereek-ul-Mujahideen (de groepering). Nadat hij zich had aangesloten bij de groepering, kwam eiser erachter dat hij zich niet kon verenigen met het gedachtegoed en de activiteiten van de groepering en besloot hij deze te verlaten. Dit werd echter niet toegestaan door de groepering. Tijdens een schietincident bij de Indiase grens in januari 2000 is eiser met een dorpsgenoot gevlucht. Vlak hierna is hij met hulp van een reisagent het land ontvlucht. Eiser vreest voor de groepering en bij terugkeer te zullen worden opgepakt en vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. nationaliteit, identiteit & herkomst;
2. problemen als gevolg van het lidmaatschap van de groepering.
4.1.
Verweerder heeft het eerste relevante element deels geloofwaardig geacht. Eisers identiteit is volgens verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser zijn identiteit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder heeft beoordeeld of het element ondanks het ontbreken van objectieve documenten alsnog geloofwaardig kan worden bevonden. Dit is volgens verweerder niet het geval, omdat eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, c, d en e, van de Vw voldoet. Verweerder heeft daartoe – samengevat – overwogen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielaanvraag te staven, dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, dat eiser zijn asielaanvraag zonder goede verklaring niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
4.2.
Verweerder heeft het tweede relevante element, eisers problemen als gevolg van zijn lidmaatschap van de groepering, niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daartoe – samengevat – allereerst overwogen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat zijn verklaringen over dat hij wordt gezocht door de groepering niet rijmen met zijn eerdere verklaringen over zijn vertrek uit Pakistan en omdat eisers kennis over de groepering summier en algemeen van aard is. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, vanwege zijn lidmaatschap van de groepering, een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Pakistan.
4.3.
Volgens verweerder kan eiser op grond van het deels geloofwaardig geachte eerste element – zijn nationaliteit en herkomst – niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Dat eiser uit Pakistan komt is volgens verweerder op zichzelf niet genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers asielaanvraag – op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en h, van de Vw – afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beroepsgronden
5. Eiser stelt – samengevat – allereerst dat verweerder eisers problemen als gevolg van zijn lidmaatschap van de groepering ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser vindt dat hij wel samenhangend en aannemelijk heeft verklaard, dat zijn kennis over de groepering niet summier en algemeen van aard is en dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Pakistan. Daarnaast stelt eiser dat verweerder eisers asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan, omdat hij zijn identiteits- of reisdocumenten niet heeft vernietigd of weggemaakt. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar aan eiser heeft opgelegd.
Beoordeling
6. De rechtbank gaat in overweging 6.1 in op de verwijzing naar de zienswijze in het beroepschrift. Hierna gaat de rechtbank in overwegingen 6.2 tot en met 6.5 in op eisers gestelde problemen door zijn lidmaatschap van de groepering. Vervolgens gaat de rechtbank in overweging 6.6 in op de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Tot slot gaat de rechtbank in overweging 6.7 in op het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 2 jaar.
Zienswijze
6.1.
Eiser voert allereerst aan dat wat hij in zijn zienswijze heeft gesteld in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Eisers gestelde problemen door zijn lidmaatschap van de groepering
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser problemen als gevolg van zijn lidmaatschap van de groepering niet geloofwaardig zijn. Allereerst heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de periode waarin hij lid was van de groepering. Zo verklaarde eiser in zijn nader gehoor dat hij vanaf 1997 lid was van de groepering en dat hij daaraan actief heeft deelgenomen vanaf 1998 tot aan zijn vertrek uit Pakistan in 2000. Deze verklaring komt echter niet overeen met eisers verklaring bij de politie in 2016, waarin hij verklaarde dat hij Pakistan al in 1996 had verlaten. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om minder waarde toe te kennen aan deze verklaring uit 2016. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers kennis over de groepering summier en algemeen van aard is. Zo kon eiser niet vertellen wie de groepering had opgericht en verklaarde hij enkel de lokale leider te kennen. Ook verklaarde eiser dat de belangrijkste doelstelling van de groepering het vervullen van de Jihad is, maar kon hij niet vertellen over het belangrijke feit dat het een onafhankelijkheidsgroepering voor de regio Kashmir is. Nu eiser zijn lidmaatschap van de groepering en de problematiek rond deze groepering heeft aangedragen als grond voor zijn asielaanvraag, heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat eiser eenduidig verklaart over de periode waarin hij actief was voor de groepering en dat hij details over de groepering benoemt.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Pakistan. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder eisers lidmaatschap van de groepering en zijn vlucht niet geloofwaardig geacht. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder dit nogmaals benadrukt. Verder zijn eisers verklaringen over waarom hij, als individu, gevaar zal lopen bij terugkeer onnavolgbaar en slechts gebaseerd op aannames. Eiser verklaarde bijvoorbeeld over in Europa doodgeschoten leden van de groepering, maar dit blijkt hij van derden te hebben gehoord. Eiser heeft zijn stelling – dat niemand weet wat er met hen is gebeurd, maar dat het allemaal personen betreffen van de groepering en dit de enkele reden is dat zij zijn vermoord of ontvoerd – niet onderbouwd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken waarom hij, als individu, een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Eiser is daar niet in geslaagd. Verweerder heeft daarom mogen concluderen dat niet valt in te zien dat eiser problemen zal ondervinden bij terugkeer.
6.4.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de betrokkenheid van het Pakistaanse leger bij de groepering – anders dan eiser stelt – ten onrechte niet heeft onderzocht en links heeft laten liggen. Zoals eerder is overwogen, heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat zowel eisers lidmaatschap van de groepering als de problematiek rond die groepering niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit niet ten onrechte geconcludeerd dat uit eisers verklaringen en de zienswijze niet blijkt waarom hij problemen heeft met het Pakistaanse leger. Een (nader) onderzoek naar de betrokkenheid van het Pakistaanse leger bij de groepering zal, gelet op het voorgaande, niet tot een andere beoordeling leiden van het reële risico op ernstige schade bij terugkeer van eiser naar Pakistan.
6.5.
Gelet op al het voorgaande slagen de aangevoerde beroepsgronden niet. Verweerder heeft dus terecht de asielaanvraag van eiser afgewezen.
De afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan een asielaanvraag namelijk worden afgewezen als kennelijk ongegrond als een vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over welke identificerende documenten hij in zijn bezit heeft gehad en wat er met deze documenten is gebeurd. Zo verklaarde eiser tijdens het aanmeldgehoor dat hij zijn Pakistaanse paspoort en identiteitskaart moest afstaan in Libië voordat hij de boot opstapte, maar verklaarde hij eerder – in 2013 – dat hij zijn Pakistaanse paspoort was verloren en – in 2016 – dat hij nooit in het bezit is geweest van een Pakistaans paspoort. Verweerder heeft eiser terecht tegengeworpen dat van hem mag worden verwacht dat hij eenduidige verklaringen aflegt over welke identificerende documenten hij in zijn bezit heeft gehad en wat er vervolgens met deze documenten is gebeurd. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn conclusie dat eiser zijn documenten naar alle waarschijnlijkheid heeft weggemaakt. Niet is gebleken dat eiser sinds zijn aankomst in Nederland en/of Europa enige moeite of een poging heeft ondernomen om identificerende documenten aan te vragen, terwijl hij meerdere malen is gewezen op het belang van identificerende documenten. Eisers stelling in beroep – dat hij zijn identiteits- of reisdocumenten niet heeft vernietigd of weggemaakt – heeft hij noch onderbouwd, noch aannemelijk gemaakt. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt ook niet.
Het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 2 jaar
6.7.
Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat in het voornemen per abuis is overwogen dat aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar worden opgelegd, omdat deze al op 6 maart 2025 aan eiser zijn opgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat het klopt dat hiervan geen stukken aanwezig zijn in het dossier. Eiser en zijn gemachtigde hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij niet op de hoogte zijn van een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar die op 6 maart 2025 aan eiser zouden zijn opgelegd. Met partijen is afgesproken dat de gemachtigde van verweerder dit zal uitzoeken en de rechtbank binnen een gestelde termijn hierover zal informeren.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
7.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.