Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:20971
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,108 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28814
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de ingediende aanvraag van 11 februari 2025 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam referent] (referent). De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De minister heeft op 5 september 2025 een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiseres genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
3. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Omdat dit besluit een besluit op de aanvraag is, verwijst de rechtbank het beroep naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld.
Conclusie
4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 5 september 2025 verwijst de rechtbank door naar de minister om als bezwaarschrift te behandelen met inachtneming van het volgende. De aanvraag van eiseres wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Dat betekent dat, anders dan de minister stelt, de wet van 12 maart 2025, waarmee de wettelijke beslistermijn van gezinsherenigingsaanvragen bij statushouders is gewijzigd naar negen maanden, niet op eiseres van toepassing is. De minister moet dus uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen. Het standpunt van de minister dat de ingebrekestelling van eiseres prematuur is volgt de rechtbank dan ook niet. Eiseres krijgt een vergoeding voor haar proceskosten, omdat de minister niet op tijd heeft beslist. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt €437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat eiseres is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 5 september 2025, door naar de minister om als bezwaarschrift te behandelen;
veroordeelt de minister tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
Dit volg uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
Dit volgt uit artikel 1.27, in samenhang met artikel 1.24, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit staat in artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.