Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:20939
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,295 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53682
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 november 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1979 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juni 2025. Vervolgens zijn er vervolgberoepen ingesteld. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 8 september 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds de sluiting van voornoemd onderzoek op 8 september 2025.
4. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
5. Eiser voert aan dat in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat en dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt. De Marokkaanse autoriteiten hebben eerder niet op basis van eisers vingerafdrukken de Marokkaanse nationaliteit kunnen vaststellen. Op 26 augustus 2025 heeft een presentatie plaatsgehad en zijn nieuwe vingerafdrukken afgenomen. Ruim twee maanden later is nog geen reactie ontvangen. Gelet op het traject tot nu toe, waarbij vingerafdrukken eerder geen resultaat opleverden en het getoonde paspoort niet aan eiser toebehoort, had verweerder al eerder op dossierniveau moeten rappelleren en niet enkel schriftelijk.
6. In zijn algemeenheid is zicht op uitzetting naar Marokko aanwezig. De omstandigheid dat nog geen lp is afgegeven, betekent niet dat dit uitzicht in eisers geval niet bestaat. De van de zijde van de Marokkaanse autoriteiten geuite twijfel over de authenticiteit van het eerder in kopie getoonde Marokkaanse paspoort van eiser laat de mogelijkheid onverlet dat eiser de Marokkaanse nationaliteit bezit. Dit is nog altijd in onderzoek op basis van eisers vingerafdrukken en zijn presentatie op 26 augustus jl. Uit het voorgangsrapport M120 van 3 november 2025 blijkt dat verweerder periodiek vertrekgesprekken houdt en schriftelijk rappelleert bij de Marokkaanse autoriteiten. De totale duur van de bewaring beloopt nog geen zes maanden. Gelet hierop werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 november 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2025:10503.
Zie de uitspraken van 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14721 en 15 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16973.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16973.