Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20914
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52016
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025
in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 4 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist met de uitspraak van 19 augustus 2025.
De minister heeft de rechtbank op 23 oktober 2025 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 30 oktober 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 12 augustus 2025).
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
3. Eiser voert aan dat in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat naar Marokko, het land waar hij naartoe moet. Daartoe stelt eiser dat er geen reactie is gekomen op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) en het onduidelijk is wanneer een presentatie plaatsvindt. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting en onvoldoende uitzettingshandelingen verricht. Ook meent eiser dat de minister een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten moet opstarten. Eiser heeft namelijk op 7 juli 2025 verklaard uit Algerije te komen. Door het opstarten van een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten wordt de kans op uitzetting vergroot, en zal de bewaring korter duren als blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten eiser niet kennen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit in eisers geval anders is. De minister heeft op 9 juli 2025 een lp-aanvraag verzonden. De Marokkaanse autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Door eiser zijn ook geen omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. Daar komt bij dat op eiser een vertrekplicht rust. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet.
3.2.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 15 augustus 2025, 4 september 2025, 25 september 2025 en 16 oktober 2025 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de ingediende lp-aanvraag. Daarnaast heeft de minister op 4 september 2025 en 6 oktober 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de minister meer of andere uitzettingshandelingen moet verrichten. Voor zover eiser aanvoert dat de minister een terugkeertraject moet opstarten in Algerije, verandert dit het oordeel dit. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 augustus 2025 al geoordeeld dat dit betoog niet slaagt. De rechtbank ziet in wat eiser nu aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel.
Ambtshalve toets
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:15743.
De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219) en van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269).
Vergelijk de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).