Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:20857
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,343 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw op 16 oktober 2025 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 20 oktober 2025 de gronden van het beroep ingediend.
Eiser heeft zich bij bericht van 28 oktober 2025 akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 29 oktober 2025 gesloten en partijen bericht dat binnen zeven dagen uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden.
4. Eiser heeft aangevoerd dat zicht op uitzetting ontbreekt. Uit niets blijkt volgens eiser dat de Algerijnse autoriteiten op korte termijn een vervangend reisdocument ter beschikking zullen stellen die een uitzetting mogelijk zal maken. Eiser ziet ook verder geen enkele mogelijkheid om zelfstandig te vertrekken.
5. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de minister op 29 september 2025 ten behoeve van eiser een aanvraag om een laissez-passer heeft verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. Vervolgens heeft de minister op 16 oktober 2025 gerappelleerd. De rechtbank leidt hieruit af dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag in behandeling hebben genomen en dat deze nog in behandeling is. De rechtbank wijst hierbij nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722), waaruit blijkt dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister het resultaat van deze aanvraag mag afwachten terwijl eiser zich in bewaring bevindt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.