Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:20721
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,369 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26672
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Nu verzoeker het besluit op het bezwaar niet in Nederland mag afwachten, verzoekt hij om een voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
2. Beide partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1] 1983 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 10 november 2015 heeft verzoeker een terugkeerbesluit gekregen. Verzoeker is daarna niet vertrokken. Verzoeker wenst verblijf bij zijn moeder, [referente] , geboren op [geboortedatum 2] 1959 (referente). Verzoeker heeft daartoe een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ op grond van artikel 8 EVRM.
4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, omdat verzoeker een terugkeerbesluit heeft gekregen en omdat verzoeker geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Verzoeker wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat uitzetting niet in strijd met het familie- en gezinsleven en het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is. Er is volgens verweerder ook geen sprake van vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder heeft verzoeker in het besluit van 27 juni 2024 ook een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd. Wat vindt verzoeker in de voorzieningenprocedure?
5. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, onvoldoende gemotiveerd en daarmee onrechtmatig is. Verweerder concludeert ten onrechte dat er geen sprake meer is van meer dan normale afhankelijkheid. Met betrekking tot het economisch belang, stelt verzoeker dat hij geen gebruik wenst te maken van een uitkering, dat hij een intentieverklaring heeft voor een indiensttreding en dat hij een eigen bedrijf had toen hij nog rechtmatig in Nederland verblijf had. Verzoeker heeft daarnaast geen sterke banden met Iran. Verzoeker stelt dat hij heeft uitgelegd en aangetoond dat hij privéleven heeft. De aanvraag ziet niet op familieleven van verzoeker met zijn vriendin, maar ze zijn wel verloofd en hebben het voornemen te gaan trouwen. Verzoeker verzoekt om de hardheidsclausule toe te passen. Verzoeker verzoekt daarom om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. Wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Bij brief van 23 september 2025 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Reeds gelet hierop wordt de gevraagde voorlopige voorziening getroffen.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juni 2024 worden opgeschort totdat op verzoekers bezwaar is beslist.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-. Verweerder moet ook het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Paragraaf B1/41 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.