Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20670
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23241
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Met het besluit van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 16 juli 2023 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gebleken is dat eiser al internationale bescherming heeft in Italië. Hierdoor heeft eiser een zodanige band met Italië dat het voor hem redelijk is naar dat land toe te gaan. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat Italië de internationale verplichtingen jegens eiser niet nakomt. Dat de procedure vertraging heeft opgelopen, omdat de aanvraag in de AA+-procedure is behandeld en dat een nader gehoor van twee dagen is gepland, maakt niet dat aanvraag niet als niet-ontvankelijk kan worden afgedaan. Hierbij is onder andere van belang dat eiser in een eerdere procedure met onbekende bestemming is vertrokken en eiser zelf ook wist dat hij internationale bescherming had in Italië en dat zijn aanvraag om die reden niet-ontvankelijk kon worden verklaard.
3. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Italië, omdat daar familie woont die zijn geaardheid niet accepteert, waardoor hij daar niet veilig is. Hij loopt ook het risico weer op straat te moeten leven. Het is daardoor ook moeilijk om bescherming te krijgen van de autoriteiten. Hierbij verwijst hij naar het AIDA-rapport update 2024. Daarnaast is bij eiser het vertrouwen gewekt dat zijn asielprocedure inhoudelijk behandeld zou worden. Verweerder heeft een nader gehoor gepland dat twee dagen heeft geduurd en heeft eiser daarbij ook gehoord over zijn asielrelaas, terwijl verweerder al wist dat eiser in Italië een verblijfsstatus heeft. Dat eiser zijn eerdere procedure in Nederland had kunnen afwachten, is niet relevant omdat verweerder destijds ook al op de hoogte was van de verblijfsstatus in Italië. Bovendien heeft eiser al in september 2023 asiel aangevraagd, terwijl hij pas in januari 2025 is gehoord. Dat eiser zelf wist dat hij internationale bescherming had in Italië doet niet af aan het opgewekte vertrouwen dat zijn aanvraag toch (ook inhoudelijk) in behandeling zal worden genomen. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 3:106a, tweede lid, van het Vb achterhaald is. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Juridisch kader
4. Verweerder kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming heeft. De aanvraag wordt alleen niet-ontvankelijk verklaard als de lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt en de vreemdeling een zodanige band heeft met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste jurisprudentie dat van zo’n band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is of subsidiaire bescherming heeft.
5. Niet in geschil is dat eiser internationale bescherming heeft in Italië. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat alleen al om die reden is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. De stelling van eiser dat deze jurisprudentie achterhaald is, op grond van de Harderwijkuitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, is onvoldoende onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië voor statushouders over het algemeen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Afdeling. Het is aan eiser aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet is gebleken dat hij op onmenselijke wijze is behandeld in Italië. Van eiser mag bovendien verwacht worden dat hij voldoende inspanningen verricht om zijn rechten te effectueren of dat hij de hulp inroept van de Italiaanse autoriteiten als dit niet lukt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij bij terugkeer geen huisvesting zal kunnen krijgen of dat de Italiaanse autoriteiten hem niet willen helpen. Verweerder heeft zich dan ook terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de hoge drempel, zoals uiteengezet in het arrest Jawo en Ibrahim, niet wordt gehaald.
Gerechtvaardigd vertrouwen
7. Eiser stelt dat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat verweerder zijn asielaanvraag inhoudelijk zou beoordelen. Eiser was echter ervan op de hoogte dat hij internationale bescherming heeft in Italië en dat hij mogelijk terug zou moeten naar Italië. Dat de procedure lang heeft geduurd en dat tijdens het gehoor ook is gevraagd naar de reden voor zijn asielrelaas doet daar niet aan af. In het nader gehoor is namelijk eerst medegedeeld dat de asielaanvraag mogelijk niet-ontvankelijk zou worden verklaard en is gevraagd naar eventuele bezwaren van eiser tegen zijn terugkeer naar Italië, voordat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn redenen voor de asielaanvraag kenbaar te maken. Ook het feit dat de procedure lang heeft geduurd, maakt niet dat eiser hieruit mocht afleiden dat verweerder voorbij zou gaan aan de verleende internationale bescherming. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2907.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1388.
Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Arrest Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.