Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20626
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43988 en NL25.43989
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
5 november 2025 in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
mede namens haar minderjarige kind:
[naam],
geboren op [geboortedatum],
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank zal ook het bijbehorende verzoek om een voorlopige voorziening beoordelen. De minister heeft de aanvraag, met het bestreden besluit van
11 september 2025, niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Beoordeling
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Heeft eiseres procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 16 oktober 2025 meegedeeld dat eiseres op 14 oktober 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Op 27 oktober 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres gevraagd of hij nog contact met haar heeft.
Op 27 oktober 2025 heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld geen contact meer te hebben met eiseres.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding.
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiseres neemt de rechtbank aan dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen prijs meer stelt op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat bij een controle van de systemen niet is gebleken dat eiseres zich in de tussentijd weer heeft gemeld bij het COa. Eiseres heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Nu het beroep niet-ontvankelijk is bestaat er ook geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025 door
mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.