Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20560
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
881 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50956
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een meldplicht en dat de maatregel van bewaring daarom ten onrechte is opgelegd. Hij heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel verklaard dat gedwongen uitzetting niet noodzakelijk is. Hij is zelf in staat om te vertrekken en hem had de gelegenheid geboden moeten worden om dat te doen. Bewaring is een ultimum remedium en verweerder is hier te snel toe overgegaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Dit blijkt ook uit het feit dat eiser naar aanleiding van de beschikking van 17 augustus 2022 diende te vertrekken, maar dit niet (vrijwillig) heeft gedaan. De enkele verklaring dat hij bereid is om terug te keren naar Polen is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Hij is immers op 23 mei 2023 al uitgezet naar Polen, maar naar eigen zeggen binnen een half jaar weer teruggekeerd. Hij heeft zijn onrechtmatige verblijf in Nederland vervolgens ook niet gemeld. Daarnaast beschikt hij niet over voldoende middelen om zijn vertrek zelf te realiseren.
Ambtshalve toets
4. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding
afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.