Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20557
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51959
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Bulgaarse nationaliteit te hebben.
Voortvarend handelen
2. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Vanaf in ieder geval 13 oktober 2025 is bekend bij verweerder dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland. Aan hem is te kennen gegeven dat hij Nederland moet verlaten en hij toont zich meewerkend ten aanzien van zijn uitzetting. Dat doet hij ook in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Op 20 oktober 2025 is de maatregel van bewaring opgelegd. Op 24 oktober 2025 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden waarbij aangeven is dat een T&O-aanvraag wordt opgestart. Eiser wijst erop dat zijn identiteitsbewijs voorhanden is. Aangezien er dagelijks vluchten naar Bulgarije gaan en zijn identiteit vaststaat, had hij al lang uitgezet kunnen worden. Hij wijst erop dat op 29 oktober 2025 nog steeds geen datum bekend is waarop hij kan terugkeren naar Bulgarije. De bewaring duurt daarom onnodig lang.
3. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Voor zover eiser stelt dat verweerder sneller had kunnen handelen omdat er een identiteitsbewijs voorhanden is, geldt dat dit slechts een kopie betreft en verweerder dus niet beschikt over het originele identiteitsbewijs. Verweerder moet daarom eerst toestemming vragen aan de Bulgaarse autoriteiten voor een vervangend reisdocument. Verweerder is daarbij afhankelijk van de Bulgaarse autoriteiten en moet de kans worden gegeven om reactie af te wachten. Verder heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd en het OM geïnformeerd over de uitzetting van eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende handelingen heeft verricht om de uitzetting te bespoedigen. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het gegeven dat elke dag vluchten vertrekken naar Bulgarije, niet maakt dat er ook elke dag een vlucht voor eiser beschikbaar is. Verweerder is hierbij afhankelijk van DT&V.
Ambtshalve toets
4. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Terug- en overnameovereenkomst.
Openbaar Ministerie.
Dienst Terugkeer en Vertrek.