Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:2050
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,382 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4555
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 29 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum]
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
Op de zitting heeft de minister zware grond 3i laten vallen.
3.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag berust, omdat hij op 6 februari 2025 beroep heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen de meeromvattende beschikking, waaronder het terugkeerbesluit, van 8 november 2024. Hierdoor verblijft eiser rechtmatig in Nederland. Volgens eiser is het terugkeerbesluit niet op de juiste wijze bekendgemaakt en daarom niet in werking getreden. Dit besluit is namelijk niet in persoon aan eiser of aan zijn gemachtigde uitgereikt, maar alleen ter inzage gelegd bij het COa.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag, waarin het terugkeerbesluit van 8 november 2024 is opgenomen, op de juiste wijze bekend is gemaakt. Op de zitting is door de minister toegelicht dat, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en er geen verblijfadres van hem bekend was, er geen mogelijkheid bestond om het besluit persoonlijk aan hem uit te reiken. Ook was geen gemachtigde van eiser bekend. Het terugkeerbesluit is daarom ter inzage gelegd op de locatie Ter Apel en de melding van de terinzagelegging is opgehangen op de daarvoor bestemde plek. De rechtbank is van oordeel dat dit in overeenstemming is met het wettelijke vereiste van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb en het beleid dat is neergelegd in paragraaf C1/2.13 van de Vc.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring viel onder de categorie vreemdelingen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.3.
De rechtbank stelt verder vast dat partijen het eens zijn dat eiser sinds 6 februari 2025 rechtmatig verblijf heeft dankzij het ingestelde beroep en de gevraagde voorlopige voorziening. Volgens de Afdeling dient de minister binnen twee dagen de grondslag van de maatregel om te zetten. Op het moment van sluiten van het onderzoek op 7 februari 2025 was de termijn van twee dagen nog niet verstreken. Op de zitting heeft de minister bovendien toegelicht dat hij voornemens is deze maatregel binnen de termijn van twee dagen om te zetten. De bewaring is niet op deze grond onrechtmatig.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 4a, 4c, en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is grond 3a feitelijk juist. Eiser beschikt niet over een paspoort, een geldig visum of een verblijfsvergunning en heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Bovendien heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij Nederland illegaal is binnengekomen. Ook grond 3b is feitelijk juist. Eiser is op 10 september 2024 met onbekende bestemming vertrokken naar Duitsland. Verder is grond 3c feitelijk juist. Voor wat betreft de stelling van eiser dat hij het terugkeerbesluit niet heeft ontvangen, verwijst de rechtbank naar wat zij hier al over heeft geoordeeld onder 5.1. Tot slot is grond 3d feitelijk juist. Eiser heeft geen daadwerkelijke actie ondernomen om identificerende documenten te verkrijgen. De stelling van eiser dat hij als asielzoeker niet aan dergelijke documenten kan komen, maakt deze grond niet feitelijk onjuist.
6.3.
Verder is lichte grond 4a terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft zich niet gehouden aan de verplichting van artikel 4.21 Vb. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft (grond 4c) en beschikt hij over onvoldoende middelen van bestaan (grond 4d). Eiser heeft deze laatste twee gronden ook niet betwist.
Lichter middel
7.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842.