Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:20473
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,931 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32635
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,geboren op [geboortedatum] ,van Braziliaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning bij haar moeder op grond van artikel 8 van het EVRM. Haar moeder beschikt over een van haar minderjarig Nederlands kind afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Zij is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Er is geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar moeder. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 4 november 2022 heeft eiseres haar aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 augustus 2023 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbankGriffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Hij De minister vindt dat tussen eiseres en haar moeder geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is meerderjarig en voldoet niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat tussen haar en haar moeder sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Zo heeft zij niet met stukken onderbouwd dat zij door de gestelde ernstige psychische problematiek volledig afhankelijk is van de zorg van haar moeder en zonder haar hulp niet in staat is zelfstandig te functioneren.
Jongvolwassenenbeleid
5. Eiseres stelt dat zij aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet. Zij is namelijk jong volwassen (23 jaar ten tijde van de aanvraag) en leeft met haar moeder in gezinsverband samen in Nederland en deed dit ook in Brazilië. Verder voorziet ze niet in haar eigen levensonderhoud, heeft ze geen relatie en is ze ook niet getrouwd. Ter onderbouwing heeft eiseres op 3 oktober 2025 schriftelijke verklaringen overgelegd waarin haar moeder, stiefvader en zijzelf zeggen dat zij altijd met haar moeder heeft samengewoond en nooit heeft gewerkt. Ook is een inschrijving bij de gemeente overgelegd waaruit blijkt dat zij op 17 mei 2023 op het adres van haar moeder in Nederland is ingeschreven.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het jongvolwassenenbeleid neemt de minister uitsluitend aan dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s), zonder dat er sprake hoeft te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, als het meerderjarig kind:
a. jongvolwassen is;
b. met zijn ouders in gezinsverband samenleeft;
c. niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en
d. geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
Als het meerderjarige kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, valt het niet
onder het jongvolwassenenbeleid.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Hij heeft alle feiten en omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Hierbij heeft de minister erop mogen wijzen dat eiseres niet metdocumenten heeft onderbouwd dat zij altijd met haar moeder heeft samengewoond. Eiseres heeft ook de stelling dat zij niet in haar eigen levensonderhoud voorziet en geen eigen gezin heeft gevormd niet onderbouwd. Haar stellingen kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Hierbij heeft de minister de verklaringen die eiseres kort voor de zitting heeft overgelegd niet kunnen meenemen in zijn besluit. Het is echter niet gebleken dat eiseres daardoor in haar belangen is geschaad, omdat de minister haar eerder al meerdere malen heeft verzocht haar stellingen met documenten te onderbouwen. Dit had zij al bij de zienswijze kunnen doen. De rechtbank merkt nog op dat de minister zich ter zitting op het standpunt heeft mogen stellen dat de overgelegde schriftelijke verklaringen onvoldoende bewijskracht hebben om de stellingen te kunnen onderbouwen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Eiseres voert aan dat zij zeer ernstige psychische problemen heeft waardoor zij emotioneel volledig afhankelijk is van haar moeder. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een verklaring van een psycholoog uit Brazilië overgelegd waarin staat dat zij psychologische zorg ontvangt sinds 6 januari 2025 en dat voor haar behandeling de aanwezigheid en de steun van haar ouders belangrijk zijn. Ook is zij financieel afhankelijk van haar moeder en haar stiefvader. Terugkeer naar Brazilië zonder begeleiding is daarom niet mogelijk en het op afstand (video)bellen of contact onderhouden via social media voldoet hier dan ook niet.
6.1.
Er kan pas worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat tussen eiseres en haar moeder geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Hierbij heeft de minister er allereerst op kunnen wijzen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij in Brazilië met haar moeder samenwoonde en zonder de (financiële) hulp van haar moeder niet kon functioneren. Eiseres heeft ook verder niet aangetoond dat tussen haar en haar moeder sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de psycholoog die eiseres heeft overgelegd hiervoor onvoldoende, nu hieruit niet de gestelde (volledige) afhankelijkheid van haar moeder blijkt. De minister heeft verder in de beoordeling kunnen betrekken dat eiseres gelet op haar banden met Brazilië in staat moet worden geacht om zichzelf daar te handhaven. Hij heeft er daarbij op kunnen wijzen dat de gestelde financiële ondersteuning ook op afstand kan blijven plaatsvinden. De minister heeft daarom mogen vinden dat geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar moeder.
6.3.
Nu geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar moeder, beoordeelt de rechtbank niet wat eiseres heeft aangevoerd over het absoluut beletsel om van haar Nederlandse halfbroer te vragen terug te reizen naar Brazilië. Er is immers niet aannemelijk geworden dat eiseres niet zonder haar moeder, en dus ook haar halfbroertje, in Brazilië zou kunnen verblijven. Schrijnende situatie
7. Eiseres stelt dat vanwege haar schrijnende situatie er toepassing moet worden gegeven aan artikel 4:84 van de Awb en er in afwijking van het beleid aan haar een verblijfsvergunning moet worden verleend.
7.1.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op schrijnendheid stelt de rechtbank voorop dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een schrijnende situatie waardoor er alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend, sprake moet zijn van een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie uitspraak van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, Chavez-Vilchez.
WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000
WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57.
EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.
Zie uitspraak van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, Chavez-Vilchez.
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.6ba lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.