Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:20399
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
686 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27949
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 4 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder op 8 mei 2025 in gebreke gesteld, waarna hij op 24 juni 2025 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
2. Blijkens de door verweerder overgelegde ‘Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ van 19 februari 2024 is eiser op 7 februari 2024 vertrokken naar India. Verder blijkt uit de bijgevoegde en ondertekende ‘vertrekverklaring’ dat eiser heeft aangegeven dat hij Nederland vrijwillig verlaat en dat hij ermee instemt dat nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd.
3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nu eiser heeft ingestemd met het intrekken van openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel, heeft hij ook geen belang bij een tijdige beslissing daarop.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2058.