Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:2031
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,428 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4910
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat eiser onder de Dublinverordening valt. Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd.
3. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor de gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
5. Eiser stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 28 van de Dublinverordening, omdat verweerder voor de inbewaringstelling al een overdracht naar Duitsland had kunnen inplannen. Eisers inbewaringstelling was in dat geval van kortere duur geweest.
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de voortvarendheid tijdens de vreemdelingenrechtelijke bewaring geen zelfstandige betekenis wordt gehecht aan het niet of niet snel genoeg handelen voorafgaand aan de inbewaringstelling. Verweerder is pas vanaf het moment van de inbewaringstelling verplicht om voldoende voortvarend te handelen. Verweerder heeft in dit geval voldoende voortvarend gehandeld. Hij heeft namelijk op de dag van eisers inbewaringstelling de overdracht van eiser aangevraagd. Op 3 februari 2025 zijn de overdrachtsgegevens bekend geworden. Eiser zal op 17 februari 2025 worden overgedragen aan Duitsland. Verweerder heeft ook terecht opgemerkt dat op 30 september 2024 is geprobeerd om eiser over te dragen aan Duitsland, maar hij destijds niet is verschenen voor de grensoverdracht. Eiser is kort daarna met onbekende bestemming vertrokken. Eiser verbleef niet in vreemdelingenbewaring tijdens de eerdere poging om hem over te dragen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder nu de overdracht heeft ingepland na eisers inbewaringstelling.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157.