Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:20292
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,806 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/692391 / JE RK 25-1689
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
en
[de stiefmoeder]
,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
beiden wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
de e-mail van de moeder van 17 oktober 2025;
het schriftelijke verweer van vader en de stiefmoeder, ontvangen op 20 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] , namens de Raad;
- de moeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de partner van de moeder, [naam 3] , als toehoorder.
De vader en de stiefmoeder zijn niet op de zitting verschenen. In het schriftelijke verweer van 20 oktober 2025 hebben de vader en de stiefmoeder te kennen gegeven dat zij niet bij de zitting aanwezig zullen zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover telefonisch een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Op verzoek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft de kinderrechter de inhoud van de gesprekken niet op de zitting gedeeld, behalve dat de omgangsregeling met de vader is gewijzigd naar één weekend om de twee weken en dat dit goed verloopt.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd vanwege de onrustige opvoedomgeving waarin zij opgroeien. De opvoedomgeving kenmerkt zich door een patroon van strijd tussen de vader en de moeder en de daaruit volgende conflicten en onvoorspelbaarheid. Beide ouders hebben het beste met de kinderen voor, maar het lukt hen vanwege echtscheidingsproblematiek niet om een stabiele opvoedomgeving aan de kinderen te bieden en het belang van de kinderen voorop te stellen. Beide ouders hebben een andere visie over de zorgen en blijven daarin naar de andere ouder wijzen. Tussen hen is sprake van wantrouwen en de Raad maakt zich zorgen dat de kinderen in een loyaliteitsconflict verkeren door de beschuldigen die de vader en de moeder naar elkaar uiten. Daardoor zijn beide ouders gekwetst, waardoor het voor hen moeilijk is om het goede in de andere ouder te zien en om vanuit een gezamenlijke visie samen te werken in de opvoeding van de kinderen. Door de school zijn zorgen geuit over de kinderen vanwege de onrustige opvoedomgeving. Daarnaast zijn er zorgen over de concrete uitspraken die door beide kinderen bij Veilig Thuis zijn gedaan over mogelijk fysiek geweld vanuit de vader naar de kinderen toe. De vader ontkent dat hiervan sprake is, maar op dit moment is hier nog onvoldoende zicht op. Het is belangrijk dat er meer (en onafhankelijk) zicht komt op de kinderen en wat zij nodig hebben. De Raad meent dat een ondertoezichtstelling daarom noodzakelijk is. Gelet op de omvang van de problematiek en de tijd die nodig is om de benodigde hulpverlening op te starten en te continueren is volgens de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden passend.
4De standpunten
4.1.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. Volgens de moeder is een ondertoezichtstelling nodig om handelen in het belang van de kinderen en om eigen emoties opzij te zetten. Omdat zij en de vader als persoon sterk van elkaar verschillen, is het voor beiden moeilijk om concessies te doen. De moeder benoemt dat zij de afgelopen twee jaar niet negatief heeft gesproken over de vader, omdat zij wil voorkomen dat dit de band tussen de kinderen en de vader beïnvloedt. Zij erkent dat dit in het verleden lastig was, maar dat zij hierin goede stappen heeft gezet. De moeder ervaart dat de kinderen in een loyaliteitsconflict verkeren en dit vindt zij zowel voor de kinderen als voor zichzelf moeilijk. De kinderen vertellen soms zorgelijke verhalen – zowel op school als in de thuissituatie – en de moeder vindt het lastig hoe zij hiermee om moet gaan. Daarnaast vindt de moeder het moeilijk dat zij door de vader negatief wordt neergezet en dat er door de vader ook negatief gesproken wordt over haar moederschap. De kinderen verblijven veel bij de moeder en dit vindt de moeder fijn. Zij heeft daardoor het gevoel dat zij de kinderen kan beschermen. Volgens de moeder is het traject Parallel Solo Ouderschap in het verleden niet van grond gekomen omdat zij en de vader destijds nog te hoog in hun emoties zaten als gevolg van de scheiding. De moeder geeft aan dat zij inmiddels haar leven weer op orde heeft gekregen, maar zij ziet dat de kinderen nog steeds worstelen. De moeder spreekt de hoop uit dat de vader in het belang van de kinderen zijn boosheid kan loslaten en dat hij weer de liefdevolle vader kan worden die hij volgens haar voor de scheiding was.
4.2.
Door de vader en de stiefmoeder is aangevoerd dat een ondertoezichtstelling naar hun mening geen zin heeft. De moeder blijft de kinderen in de ouderproblematiek meenemen. De vader heeft er last dat de moeder hem en de stiefmoeder vals beschuldigt van ernstige misdaden. Hoewel de vader de kinderen heel graag wil zien, is hij na gesprekken met Veilig Thuis ermee akkoord gegaan om de zorgregeling van co-ouderschap te bekorten naar een weekend per twee weken, zodat de kinderen niet belast of minder worden belast met de wissels en de kinderen meer structuur zouden vinden. Hoewel de vader hiermee heeft geprobeerd om rust voor de kinderen te creëren, ziet hij dat de moeder zich nog steeds negatief over de vader en de stiefmoeder jegens de kinderen uitlaat en de kinderen onderbrengt bij verschillende familieleden. Ook heeft de moeder zonder overleg met de vader de medicatie veranderd van [minderjarige 2] en de vader uit het systeem bij de apotheek laten halen zodat hij geen bericht krijg of er medicatie voor [minderjarige 2] klaarligt. De moeder heeft daarnaast een verzoek tot het aanvragen van eenhoofdig gezag bij de rechtbank ingediend en later weer ingetrokken. Door de vader wordt gezien dat de moeder de vader buiten alle beslissingen over de kinderen houdt.
4.3.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat op dit moment nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, dan zal de situatie gemonitord worden en onderzocht worden wat er nodig is. Er zullen gesprekken gevoerd worden met beide ouders en op die manier kan een analyse worden opgesteld. Op basis daarvan kan er voor zowel de kinderen als de ouders passende hulpverlening ingezet worden. De gecertificeerde instelling benadrukt dat beide ouders hierin een eigen verantwoordelijkheid dragen en dat zij samen moeten zorgen voor verbetering van de opvoedsituatie van de kinderen. De jeugdbeschermer zal hierin begeleiding bieden, maar de vader en de moeder blijven zelf aan zet. Beide ouders dienen meer vertrouwen te krijgen in de opvoedsituatie bij de andere ouder en de focus te verleggen naar het belang van de kinderen. Op dit moment verkeren de kinderen in een loyaliteitsconflict en dit heeft – mede gezien hun kind-eigenproblematiek – een grote invloed op hun ontwikkeling. Daarnaast uiten de kinderen zorgelijke signalen over de opvoedsituatie bij beide ouders.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd omdat zij zich al jarenlang in een onrustige opvoedingsomgeving bevinden die zich kenmerkt door onvoorspelbaarheid door de strijd tussen ouders. De ouders krijgen het niet voor elkaar om een stabiele basissituatie te creëren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel beide ouders het beste met de kinderen voorhebben, worden beide ouders ook meegesleurd in de echtscheidingsproblematiek, waarbij het de ouders niet lukt om puur naar het belang van de kinderen te kijken als het gaat om respectvol gedrag naar de ander toe, zonder conflicten. Deze strijd ziet niet alleen op de geschillen over de zorg en de omgangsregeling van de kinderen, maar ook op het wantrouwen tussen beide ouders. De kinderen worden – ongewild – betrokken in deze strijd en zij lijken klem te zitten in de alsmaar voortdurende problematiek tussen de vader en de moeder. De kinderen zijn kwetsbaar door kind-eigenproblematiek en zij vertonen momenteel zorgelijke signalen op school waaruit blijkt dat zij last hebben van de spanningen in de opvoedsituatie. [minderjarige 2] heeft moeite om tot leren te komen. De instabiele opvoedsituatie zorgt bij hem voor onrust, wat zijn concentratie en werkhouding belemmert. Hij lijkt daarbij overprikkeld te raken en dit zich uit in vage (lichamelijke) klachten en druk gedag. Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de school opgemerkt dat hij sinds de scheiding is veranderd van een impulsieve jongen naar een te volwassen ogende jongen. Op school heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij de conflicten tussen de vader en de moeder moeilijk vindt en de school ziet dat hij hierin wordt betrokken. Doordat de problematiek van de vader en de moeder op de voorgrond ligt en zij hierdoor niet op één lijn kunnen komen, lukt het beide ouders niet om bij de kinderen aan te sluiten en hen de duidelijkheid en veiligheid bieden zij nodig hebben. De onrustige opvoedsituatie heeft een grote invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en voorkomen moet worden dat zij hierin vastlopen.
5.3.
Naar het oordeel van de kinderrechter kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met enkel hulpverlening in het vrijwillig kader. Het grote wantrouwen tussen de vader en de moeder maakt het vrijwel onmogelijk voor beide ouders om op constructieve wijze met elkaar om te gaan en afspraken te maken en zij houden de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen in stand door te wijzen naar de andere ouder. Er lijkt tussen hen sprake te zijn van een langdurig patroon van boosheid en wederzijdse verwijten en gebleken is dat het beide ouders niet lukt om dit zelfstandig te doorbreken. Het is daarom van belang dat een jeugdbeschermer betrokken raakt. Een jeugdbeschermer houdt toezicht op de ontwikkeling en de opvoedsituatie van de kinderen. Het is daarbij aan de gecertificeerde instelling om regie te voeren op de verschillende vormen van hulpverlening die nu en op een later moment nodig zijn voor de kinderen én voor beide ouders. Het voorstel van de Raad om een hulpverleningstraject als Duurzaam Ouderschap – of een vergelijkbare vorm van hulpverlening – in te zetten kan bijdragen aan het verbeteren van de samenwerking tussen de vader en de moeder en ervoor te zorgen dat zij op een neutrale wijze met elkaar kunnen communiceren en tot afspraken kunnen komen. Ook kunnen zij hierdoor werken aan een gezamenlijke visie op de opvoeding van de kinderen, om hen een stabiele en veilige basis bieden waarin rust centraal staat in plaats van strijd. Op die manier ontstaat voor beide ouders de ruimte om de kinderen op een liefdevolle en ondersteunende wijze op te laten groeien. Gelet op de forse zorgen die er zijn en de nog in te zetten hulpverlening is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden is. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen als verzocht. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat beide ouders de komende periode iedere gelegenheid moeten aangrijpen om de opvoedsituatie van de kinderen te verbeteren en zij drukt de hen op het hart om mee te werken met de geboden hulpverlening.
5.4.
Dictum
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.