Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:20288
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,267 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.49674 (beroep)
NL24.49677 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag. Ook beoordeelt de rechtbank of de redelijke termijn is overschreden. Daarnaast beslist de voorzieningenrechter in deze uitspraak op eisers verzoek voor een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staan de van belang zijnde omstandigheden en het procesverloop van deze zaak. Onder 4 staat het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het einde staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Achtergrond en procesverloop
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In 2019 en in 2022 heeft eiser aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen hebben niet geleid tot de verlening van een verblijfsvergunning.
2.1.
Eiser heeft in Nederland een relatie met [persoon] . Samen hebben zij twee kinderen, [naam 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2017, ten tijde van de uitspraak 8 jaar oud) en [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2022, ten tijde van de uitspraak drie jaar oud). [persoon] heeft daarnaast een zoon uit een vorige relatie, [naam 3] (geboren in 2021, ten tijde van de uitspraak drie of vier jaar oud). Eiser heeft ook in Nigeria een kind, [naam 4] (geboren op [geboortedatum 4] 2011, ten tijde van de uitspraak 14 jaar oud).
2.2.
Eiser heeft op 30 december 2022 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 25 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht voorlopig vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld gezamenlijk met de zaken met de nummers NL24.18991 en NL23.1997 in welke zaken op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Griffierecht
3. Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiser in deze procedure is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken voor [naam 3] verricht, maar dat er geen afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen eiser en [naam 3] in de zin van het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft daarbij van belang geacht dat [naam 3] nog een biologische vader heeft die gezamenlijk met [persoon] met gezag is belast. Ook is er nog regelmatig omgang tussen [naam 3] en zijn biologische vader. Er is ook een omgangsregeling opgesteld waarin afspraken over de zorg en opvoeding van [naam 3] met de biologische vader zijn vastgelegd. Uit de bewijsstukken volgt dat eiser weliswaar financieel bijdraagt aan het leven van [naam 3] , maar hij heeft als stiefouder een minder verstrekkende zorgplicht en een andere band met [naam 3] dan zijn ouders. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen eiser en [naam 3] , maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
Is er een afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam 3] ?
5. Eiser voert aan dat er wel een afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen hemzelf en [naam 3] . Eiser verricht samen met [persoon] de zorgtaken voor de kinderen en zij delen ook de financiële zorg. Dat eiser niet langer mag werken kan hem niet aangerekend worden. [naam 3] is daarmee mede afhankelijk van eiser. De biologische vader van [naam 3] was ten tijde van de geboorte al uit beeld.
5.1.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zorg- en opvoedtaken verricht voor [naam 3] en financieel bijdraagt. Dit maakt echter nog niet dat er tussen eiser en [naam 3] een dusdanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [naam 3] gedwongen zou zijn eiser te volgen als laatstgenoemde Nederland zou verlaten. Bij de beoordeling van het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding spelen namelijk meer factoren een rol, zoals de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden. Voor [naam 3] geldt dat hij van geen van zijn beide biologische ouders hoeft te worden gescheiden.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen eiser en [naam 3] . De minister heeft daarbij mogen betrekken dat [naam 3] al twee juridische ouders heeft die zijn betrokken bij zijn zorg en opvoeding. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de biologische vader van [naam 3] al vanaf zijn geboorte uit beeld is. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor van 25 april 2024 verklaard dat de biologische vader van [naam 3] meerdere keren per maand omgang heeft met [naam 3] .
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister voor de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM verwijzen naar het besluit van 2 april 2024?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft in ieder geval onvoldoende gewicht toegekend aan de band die [naam 3] heeft met zijn broer en zusje en de medische problematiek van [persoon] .
6.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er familieleven bestaat tussen eiser en [naam 3] , maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft voor de belangenafweging zelf verwezen naar het besluit van 2 april 2024, dat de minister heeft genomen op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM bij zijn zoon [naam 1] .
6.2.
Op de zitting is besproken dat in het besluit van 2 april 2024 geen familieleven tussen eiser en [naam 3] wordt aangenomen. De gemachtigde van de minister heeft dit beaamd, maar zich op het standpunt gesteld dat eiser hier geen grond over heeft aangevoerd en dat het daarom niet ter discussie voorligt. De rechtbank volgt de minister niet in dit standpunt. Eiser heeft namelijk expliciet in de gronden van beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft uitgevoerd in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal dan ook ingaan op de grond van eiser.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er niet mee kon volstaan om in het bestreden besluit te verwijzen naar de belangenafweging die in het besluit van 2 april 2024 is gemaakt. In het besluit van 2 april 2024 is familieleven tussen eiser en zijn kinderen [naam 1] en [naam 2] aangenomen, maar niet tussen eiser en [naam 3] . De gemaakte belangenafweging in het besluit van 2 april 2024 betreft dan ook niet het familieleven tussen eiser en [naam 3] , dat in het bestreden besluit wel is aangenomen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt in het kader van eisers gezinsleven met [naam 3] . Het bestreden besluit is daarom gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.
6.4.
Daar komt nog bij dat, op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Deze heroverweging is in beginsel ex nunc. Dat betekent dat de minister daarbij de omstandigheden moet betrekken zoals die zijn ten tijde van het besluit op bezwaar. De minister kon ook daarom niet volstaan met een verwijzing naar een belangenafweging van (op het moment van het bestreden besluit) zeven maanden geleden.
6.5.
De beroepsgrond slaagt.
Overschrijding van de redelijke termijn
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden en of eiser recht heeft op een schadevergoeding.
7.1.
Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar een redelijke termijn is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.
7.2.
Sinds de dag dat de minister het bezwaarschrift van eiser op 22 augustus 2023 heeft ontvangen tot aan de dagtekening van deze uitspraak zijn twee jaren en één maand verstreken. De redelijke termijn is daarmee met één maand overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van, afgerond naar boven, € 500,-.
7.3.
De overschrijding van de redelijke termijn met één maand is te wijten aan de minister. De minister heeft namelijk op 14 november 2024 op het bezwaar van eiser beslist, één jaar en (ruim) twee maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn moet daarom volledig aan de minister worden toegerekend.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf eisers situatie te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
8.2.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door eiser gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8.3.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.
8.4.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
8.5.
Eiser heeft daarnaast recht op een vergoeding van zijn proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde van 907,- een wegingsfactor 0,25). De rechtbank acht een wegingsfactor van 0,25 voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn passend. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank namelijk dusdanig gering dat dit een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt. Omdat de overschrijding aan de minister is toe te rekenen, komt deze vergoeding voor rekening van de minister.
8.6.
De totale proceskostenvergoeding komt neer op € 2.040,75.
Dictum
De rechtbank, in de zaak NL24.49674:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 november 2024;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister een schadevergoeding aan eiser moet betalen van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.040,75.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.49677:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
De precieze geboortedatum van [naam 3] is niet bekend bij de rechtbank.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Eiser heeft bij deze rechtbank en zittingsplaats beroep ingesteld tegen het besluit van 2 april 2024 (zaaknummer NL24.18991). De rechtbank heeft – gelijktijdig met deze uitspraak – uitspraak gedaan op dat beroep.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie Tekst & Commentaar Awb, artikel 7:11, aantekening 2(d) (laatst bijgewerkt op 1 mei 2025). De uitzonderingen op de ex nunc-beoordeling in bezwaar doen zich in de onderhavige zaak niet voor.