Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:20175
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,456 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2501719 en NL:TZ:2501720
vonnis van 27 oktober 2025
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: [verzoekster] ,
tegen
VGZ Zorgverzekeraar,
gevestigd te Leiden,
hierna: VGZ,
en
XTRA Services, vertegenwoordigd door Debbt,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: XTRA,
verweersters.
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Feiten
1.1.
[verzoekster] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 64.492,09 aan 16 schuldeisers. Het is [verzoekster] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] heeft zij voor het laatst op 12 juni 2025 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 2,64% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 1,32%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
XTRA is (uiteindelijk) als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster] heeft een schuld aan XTRA van € 3.274,74. Dat is 5,02% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige 15 schuldeisers hebben het aanbod (uiteindelijk) aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank XTRA dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Procesverloop
2.1.
Bij brief van 14 augustus 2025 heeft VGZ laten weten alsnog akkoord te gaan met het voorstel dat door [verzoekster] is gedaan.
2.2.
De verzoeken van [verzoekster] zijn behandeld op de zitting van 20 oktober 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoekster] ,
- [naam 1] , schuldhulpverlener van de [gemeente] ,
- [naam 2] (telefonisch) van CB Bewind B.V., beschermingsbewindvoerder.
2.3.
XTRA is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
3Standpunten van partijen
3.1.
Met het akkoord van VGZ richt het verzoek zich niet langer tegen deze schuldeiser.
3.2.
[verzoekster] stelt dat het onredelijk is dat XTRA het aanbod niet aanvaardt. Volgens haar heeft zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden en kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan. De meerderheid van de schuldeisers heeft wel ingestemd. Dat XTRA nooit heeft gereageerd op het voorstel dat door [verzoekster] is gedaan hoeft niet ten koste te gaan van de overige schuldeisers. De kans dat de afloscapaciteit de komende 18 maanden stijgt is klein. Er is geen hogere aflossing mogelijk. In de WSNP vindt vanwege de kosten van deze regeling geen uitkering aan de schuldeisers plaats.
3.3.
XTRA heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat XTRA weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de [gemeente] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoekster] zelf, van de weigerende schuldeiser en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoekster] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoekster] aan haar schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. [verzoekster] heeft zelfstandige activiteiten ontplooid handelend onder de naam [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] . Zij heeft deze activiteiten vanwege persoonlijke problematiek en een slechte gang van zaken gestaakt en ontvangt sindsdien een PW-uitkering van de [gemeente] . [verzoekster] is op grond van haar problematiek door de gemeente vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Deze problematiek blijkt ook uit de overgelegde medische verklaring van 25 juni 2025 van de psychotherapeut en het medisch rapport van 4 maart 2025 van Salude, waaruit volgt dat [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt is en niet in staat is binnen afzienbare termijn te gaan werken. [verzoekster] heeft beschermingsbewind en de (financiële) situatie is stabiel. Het aanbod dat [verzoekster] op basis van de inkomsten uit haar PW-uitkering doet is verhoogd met een bedrag aan vermogen van € 1.000,00.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De meerderheid van de schuldeisers, die samen 94,98% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. De belangen van deze schuldeisers wegen, vanwege de gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van XTRA.
4.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor blijft een lagere uitkering voor de schuldeisers over. De kosten voor schuldbemiddeling zijn minder hoog dan die van een bewindvoerder in een WSNP traject. Het aangeboden akkoord wordt op korte termijn aan de schuldeisers overgemaakt, zodat zij het dossier kunnen sluiten.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [verzoekster] geen belang meer bij haar verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt XTRA in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. M. van Nooijen, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B., griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.