Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:20097
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7473 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder (gemachtigde: mr. I. Pieterse). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder dat inhoudt dat voor eiser geen ontheffing geldt van de verzekeringsplicht op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) gedurende de periode dat hij lid was van [organisatie 1] . 1.1. Met het primaire besluit van 5 april 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 19 december 2019 verzekerd is voor de Wlz. Bij het bestreden besluit van 12 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en heeft [naam] als getuige meegebracht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. H. Xhonneux. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. In de periode van 2 juli 2019 tot en met 31 maart 2021 is eiser lid geweest van [organisatie 1] ( [organisatie 1] ). Vanaf 15 juli 2019 heeft eiser zijn verblijf in [plaats 1] . Daarvoor verbleef eiser met zijn gezin in de Verenigde Staten (VS) vanwege het werk van zijn vrouw voor de [organisatie 2] ( [organisatie 2] ) aldaar. Op 16 oktober 2023 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor ontheffing van de verzekeringsplicht Wlz. Volgens eiser heeft hij in die periode als [organisatie 1] -lid zowel in Nederland als in België gewerkt en was hij verzekerd tegen zorgkosten onder de collectieve regeling van de internationale organisatie. 2.1. Met het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf 19 december 2019 verzekerd is voor de Wlz. Volgens verweerder blijkt uit de situatie van eiser dat hij een sterke persoonlijke band met Nederland heeft. Zijn werkzaamheden voor het [organisatie 1] verricht eiser niet langer dan drie maanden uitsluitend buiten Nederland. 2.2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft in de procedure over het recht op kinderbijslag (wat heeft geleid tot een gegrondverklaring en toekenning aan eiser van de kinderbijslag) verklaard drie dagen werkzaam te zijn in [plaats 2] en [plaats 3] en de overige dagen in Nederland. Omdat hij niet uitsluitend in het buitenland werkt, maar ook in Nederland, is eiser verzekerd voor de Wlz. Voor zover Verordening (EG) 883/2004 van toepassing is, is de Nederlandse wetgeving van toepassing omdat eiser in zijn woonland substantieel werkzaam is. Volgens verweerder mag worden aangenomen dat Nederland zijn wetgeving mag toepassen. Uit het arrest Evans van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) blijkt namelijk dat de unitaire begrippen van het Socialezekerheidsrecht in lijn met internationaal gewoonterecht moeten worden uitgelegd. Als inwoner en volksvertegenwoordiger van Nederland is het redelijk dat eiser onderworpen is aan de Nederlandse wetgeving, aangezien hij hier zijn mandaat heeft verworven als [organisatie 1] -lid. Bovendien geniet eiser in de lidstaten waar hij zijn werk verricht immuniteiten en privileges die gelijkwaardig zijn aan diplomatieke immuniteiten en privileges. Het Statuut heeft volgens verweerder geen exclusieve werking en Protocol nr. 7 betreffende voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: het Protocol) regelt niets over de sociale zekerheid van [organisatie 1] -leden, maar alleen voor EU-ambtenaren, personeel dat is gelijkgesteld en rechters van het HvJ EU. [organisatie 1] -leden zijn niet gelijkgesteld aan EU-ambtenaren. Verweerder heeft voorts gemeend dat er geen sprake is van willekeur. Eiser heeft niet aangetoond dat in andere zaken anders is geoordeeld. Wat vindt eiser? 3. Eiser heeft een verklaring van 20 augustus 2 [naam] , zijn opvolger in het [organisatie 1] , heeft een Wlz-ontheffing aangevraagd bij verweerder op aandringen van de Belastingdienst. Deze ontheffing is hem verleend op 3 maart 2025, omdat hij bij een volkenrechtelijke organisatie werkt en onder de sociale zekerheidsregeling van die organisatie valt. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank moet beoordelen of verweerder ook na heroverweging terecht bij zijn standpunt is gebleven dat eiser in de in geding zijnde periode verzekerd was voor de Wlz. Als uitgangspunt geldt artikel 2.1.1, eerste lid, sub a, van de Wlz, waarin is bepaald dat degene die ingezetene is, verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Volgens artikel 1.2.1 van de Wlz is een ingezetene in de zin van de wet degene die in Nederland woont. Ingevolge artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wlz wordt naar de omstandigheden van het geval beoordeeld waar iemand woont. 5. Ingevolge artikel 2.1.2, sub a, van de Wlz wordt zo nodig in afwijking van artikel 2.1.1 als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Ingevolge artikel 11 van Verordening (EG) 883/2004 – voor zover hier relevant – is degene op wie de Verordening van toepassing is slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van Verordening (EG) 883/2004 is op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, de wetgeving van de lidstaat waar hij woont van toepassing, indien hij daar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of de wetgeving van de lidstaat waar zich het centrum van belangen van zijn werkzaamheden bevindt, indien hij niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht. 6. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden 1999 (hierna: KB 746) is de persoon die in Nederland woont en gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van KB 746 is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking of een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangt. Ingevolge artikel 21 van KB 746 – voor zover relevant – is de persoon die in Nederland woont en die recht heeft op een uitkering of pensioen ingevolge een regeling van een op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, dan wel artikel 14, tweede lid, aangewezen volkenrechtelijke organisatie niet verzekerd op grond van de Wlz, indien hij op grond van een regeling van die organisatie in Nederland aanspraak heeft op zorg, of op vergoeding voor de kosten daarvan, tenzij hij in Nederland arbeid verricht. In artikel 21a, eerste lid, van KB 746 is bepaald dat niet verzekerd is op grond van de Wlz de persoon die op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie aanspraken heeft op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, mits wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, tweede en derde lid, die een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ontvangt en aan wie de Sociale verzekeringsbank op zijn verzoek een ontheffing van de verzekering op grond van de Wlz heeft verleend, tenzij hij in Nederland arbeid verricht. 7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij als ingezetene van Nederland moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts dat tussen partijen vaststaat dat eiser zijn