Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:20045
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
872 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37912
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Hijma), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
De minister heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1 Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 beroep ingesteld, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar. Op 18 september 2025 heeft de minister alsnog een beslissing genomen op het bezwaar. Verzoekster heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
4. De minister heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat de minister er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. Omdat de minister pas nadat verzoekster in beroep is gegaan een beslissing heeft genomen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De minister moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
6. De minister moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).
Dictum
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 453,50
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.