Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:19997
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50111
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Scholtens).
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 21 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven vanwege de overdracht van eiser aan Zwitserland.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Voortraject: staandehouding
2. Eiser voert aan dat zijn staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, Vw onrechtmatig was, nu er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf van eiser was. De verbalisant herkende eiser van een vorige controle. Eiser was sinds die controle ambtshalve bekend bij verbalisant als illegaal verblijvend in Nederland. Staandehouding op basis van enkel de herkenning van eiser van een vorige controle maakt de staandehouding onrechtmatig, aldus eiser.
3. Volgens paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 mag een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken. Uit het dossier blijkt dat de eerste politiecontrole plaatsvond op 29 augustus 2025. Tussen die controle en de staandehouding van 9 oktober 2025 zat ongeveer zes weken. De uit de controle verkregen informatie was dus voldoende actueel en er kon een redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
5. Eiser betwist alle zware gronden en lichte grond 4c.
6. Wat betreft de gronden die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel van bewaring, overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware grond 3a kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser beschikt niet over een geldig reisdocument of een voor hem geldig visum om Nederland in te reizen. Eiser heeft dit tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 9 oktober 2025 ook zelf bevestigd. Verweerder heeft op grond van het voorgaande terecht aangenomen dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen.
7. Gelet op de zware grond 3a en de niet bestreden lichte grond 4a die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn deze gronden in onderling verband en in samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser ten aanzien van de overige gronden heeft aangevoerd laat de rechtbank daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat volstaan had kunnen worden met een lichter middel, zoals een meldplicht, aangezien hij hulp en onderkomen krijgt van stichting STILL te Utrecht.
9. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank wijst in dit verband op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank wijst in dit verband ook op het feit dat dat eiser op 28 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast heeft eiser in het gehoor van 9 september 2025 aangegeven niet mee te willen werken aan zijn overdracht naar Zwitserland. Ook de stelling dat eiser begeleiding krijgt van stichting STILL maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan, gelet op het onttrekkingsrisico. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. In aanvulling daarop is de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), eveneens gehouden ambtshalve te toetsen of artikel 5 van de Richtlijn 2008/115/EG zich verzet tegen de inbewaringstelling. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.