Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19977
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,011 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.42720, NL25.42722, NL25.42723, NL25.42724 en NL25.42727
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 3] , V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 4] , V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 5] , V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. D. van Elp), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 december 2024.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen zestien weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvragen). Eisers stellen nu beroepen in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvragen.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
1ECLI:NL:RBDHA:2024:22633.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 24 december 2024 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van nieuwe besluiten.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling zijn de beroepen van eisers dus ontvankelijk.
Zijn de beroepen van eisers gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog besluiten heeft genomen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 In deze zaken is dit aan de orde.
6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers inmiddels zijn gehoord op hun asielmotieven en dat de minister nog geen vervolgactie heeft ondernomen. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.6
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
8. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
9. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen over de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.8 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen. Daarmee staat vast dat de minister geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een dergelijke aanvraag.
4ECLI:NL:RVS:2021:774.
5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
8 Stb. 2025, 96.
Conclusie
10. De beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen acht weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
11. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, geldt een lagere wegingsfactor van 0,5. Tevens geldt de hogere wegingsfactor van 1,5, omdat de gemachtigde van eisers beroepschriften heeft ingediend in vijf samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt aldus € 695,25 (1 punt voor het indienen van beroepschriften, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactoren 0,5 en 1,5).
12. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn gezinsleden van elkaar, hebben de beroepen gelijktijdig ingediend en hebben dezelfde gemachtigde. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.9 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.10
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.42720;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 695,25, toe te kennen in zaaknummer NL25.42720.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
9 Artikel 3 van het Bpb.
10 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 oktober 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.