Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:19846
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,357 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50196
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: I. Ngola).
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 3 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 22 oktober 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 25 september 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel van bewaring in strijd was met de Terugkeerrichtlijn, het EVRM en de wet. Verweerder heeft vanwege eisers medische/ psychische klachten ten onrechte geen lichter middel toegepast. Hij is ook detentieongeschikt. Daarnaast ontvangt hij in het detentiecentrum niet de nodige zorg. Dat is ook de reden dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn uitzetting, omdat dit in redelijkheid niet van hem kan worden verwacht. Daarnaast vreest hij voor zijn leven bij terugkeer naar Nigeria. Om die reden ontbreekt ook het zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn. Verder werkte verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Verweerder voerde geen effectieve handelingen uit die konden leiden tot eisers uitzetting. Het houden van een presentatie is niet zinvol vanwege eisers psychische gesteldheid en zijn niet meewerkende houding.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de hiervoor genoemde gronden ten aanzien van het lichter middel, zicht op uitzetting en het voortvarend handelen (in essentie) een herhaling zijn van wat eiser in de eerdere procedures tegen (het voortduren van) de maatregel van bewaring heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraken die in rechtsoverweging drie van deze uitspraak zijn opgenomen. Eiser heeft in de huidige procedure, anders dan hij stelt, geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht, zodat geen aanleiding wordt gezien voor een ander oordeel. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat hij werd verstoken van medische zorg in het detentiecentrum of dat deze zorg onvoldoende is geweest. Indien eiser van mening is dat deze zorg alsnog niet toereikend was, dan lag het op zijn weg om op grond van de Pbw een klacht hierover in te dienen. Daarnaast is nog altijd niet gebleken dat eiser ten tijde van zijn inbewaringstelling detentieongeschikt was.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing verder ook niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 14 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12605, 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15451 en 26 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17729.
Richtlijn 2008/115/EG.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Penitentiaire beginselenwet.