Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19839
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/4217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema, LLB), en de heffingsambtenaar van gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft in 2023 aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Gemachtigde heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. De onderhavige zaak is gelijktijdig met 109 andere zaken van gemachtigde behandeld. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde en diens kantoorgenoot, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra, mr. F.M.A. van der Zwaag en [naam 2] . Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaken aan te houden. Als reden hiervoor heeft gemachtigde, kort gezegd, aangevoerd dat binnen afzienbare tijd een arrest van de Hoge Raad wordt verwacht over de kosten per naheffingsaanslag van gemeente Den Haag van een eerder jaar. Volgens de door de rechtbank ingewonnen informatie bij de Hoge Raad wordt dit arrest op zijn vroegst in februari 2026 gewezen. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van de beroepen bij de rechtbank, gelet ook op het belang dat de wederpartij heeft bij een voortgang van de procedure, in strijd met een goede procesorde en derhalve niet wenselijk acht. Na sluiting van het onderzoek heeft gemachtigde in de zaken met nummers SGR 24/6455 en SGR 24/9323 nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil zijn deze stukken dan ook buiten beschouwing gelaten. Overwegingen 1. Bij de naheffingsaanslag parkeerbelasting is € 72,90 aan kosten in rekening gebracht ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag. 2. De kostenraming van gemeente Den Haag voor het jaar 2023 ter zake van de bij de naheffingsaanslagen in rekening te brengen kosten is onderverdeeld conform de componenten genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt: a. vaste informatieverwerkingskosten (€ 3.191.218); b. variabele informatieverwerkingskosten (€ 1.816.174); c/d. kosten van afschrijving en interest (€ 526.468); e. personeelskosten (€ 9.383.821); f. overheadkosten, ten hoogste 50% van de personeelskosten (€ 4.691.910). In de kostenraming is per component een omschrijving opgenomen. De geraamde kosten bedragen in totaal € 19.609.591 en het aantal naheffingsaanslagen is geraamd op 258.300, wat neerkomt op € 75,92 kosten per naheffingsaanslag. 3. In artikel 5:10 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (geldend in 2023) zijn de kosten per naheffingsaanslag vastgesteld op € 72,90. Dit is overeenkomstig het in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gestelde maximum voor 2023. Geschil 4. In geschil is of: - de bij de onderhavige naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten (€ 72,90 per naheffingsaanslag) te hoog zijn; - de bijlage bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling) op de juiste wijze is bekendgemaakt. Beoordeling Zijn de kosten van € 72,90 per naheffingsaanslag te hoog? 5. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend. Eiseres betwist dat de raming van de kosten van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit. De kosten voor parkeervergunningen, parkeerautomaten en belparkeren zijn toegerekend aan de naheffingsaanslag, terwijl daar op grond van artikel 2 van het Besluit geen grondslag voor bestaat. Het kostenbedrag is daarom onjuist vastgesteld. 6. De hiervoor genoemde b