Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19818
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 24/6449 en SGR 24/9218 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema, LLB), en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft in 2023 en in 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen beide naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Gemachtigde heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. De onderhavige zaken zijn gelijktijdig met 108 andere zaken van gemachtigde behandeld, vanwege drie identieke, niet-zaakspecifieke beroepsgronden. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde en zijn kantoorgenoot, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra, mr. F.M.A. van der Zwaag en [naam 2] . Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaken aan te houden. Als reden hiervoor heeft gemachtigde, kort gezegd, aangevoerd dat binnen afzienbare tijd een arrest van de Hoge Raad wordt verwacht over de kosten per naheffingsaanslag van gemeente Den Haag van een eerder jaar. Volgens de door de rechtbank ingewonnen informatie bij de Hoge Raad wordt dit arrest op zijn vroegst in februari 2026 gewezen. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van de beroepen bij de rechtbank, gelet ook op het belang dat de wederpartij heeft bij een voortgang van de procedure, in strijd met een goede procesorde en derhalve niet wenselijk acht. Na sluiting van het onderzoek heeft gemachtigde in de zaken met nummers SGR 24/6455 en SGR 24/9323 nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil zijn deze stukken dan ook buiten beschouwing gelaten. Overwegingen Feiten 1. Op 2 december 2023 om 22:28 uur stond de auto met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd aan de [straatnaam 1] ter hoogte van nummer 130. Op 29 april 2024 om 13:10 uur stond de auto met het kenteken [kenteken 2] geparkeerd op de [straatnaam 2] ter hoogte van nummer 7. Deze locaties zijn door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als plaatsen waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting. 2. Tijdens controles op voormelde data en tijdstippen is geconstateerd dat voor de auto’s geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding hiervan zijn de naheffingsaanslagen opgelegd. 3. De naheffingsaanslag voor 2 december 2023 (nummer [nummer 1] ) bedraagt € 75,40, waarbij € 2,50 ziet op nageheven parkeerbelasting en € 72,90 op kosten van de naheffing. De naheffingsaanslag voor 29 april 2024 (nummer [nummer 2] ) bedraagt € 79,30, waarbij € 2,60 ziet op nageheven parkeerbelasting en € 76,70 op kosten van de naheffing. 4. Op 2 december 2023 van 19:22 tot 00:00 uur stond in plaats van een kenteken, het woord “ [voornaam] ” aangemeld op een bezoekersparkeervergunning. 5. De kostenraming van gemeente Den Haag voor het jaar 2023 ter zake van de bij de naheffingsaanslagen in rekening te brengen kosten is onderverdeeld conform de componenten genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt: a. vaste informatieverwerkingskosten (€ 3.191.218); b. variabele informatieverwerkingskosten (€ 1.816.174); c/d. kosten van afschrijving en interest (€ 526.468); e. personeelskosten (€ 9.383.821); f. overheadkosten, ten hoogste 50% van de personeelskosten (€ 4.691.910). In de kostenraming is per component een omschrijving opgenomen. De geraamde kosten bedragen i De schermafbeelding toont de publicatie van de Regeling in het gemeenteblad van gemeente Den Haag van 23 december 2021. De volledige tekst van de Regeling staat onder de tekst van de schermafbeelding. 15. Artikel 2.1.1, aanhef en onderdeel a, van de Regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “De bij dit besluit behorende bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ vermeldt: a. de plaatsen waar en de tijden waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 5:1 van de verordening mag worden geparkeerd;” 16. De in artikel 2.1.1 van de Regeling genoemde bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ (de bijlage) bestaat uit 67 pagina’s en bevat een tabel waarin per straat of straatdeel staat aangegeven wat de tijden van het betaald parkeren zijn, wat de maximale parkeertijd bedraagt en wat de gebiedscode van de parkeervergunning is. 17. De bijlage kan worden geopend door onder het kopje ‘Externe bijlagen’ te klikken op de hyperlink genaamd ‘exb-2021-75079’ (de link staat links onder op de schermafbeelding). De bijlage is dus beschikbaar als pdf-bestand. Bij latere wijzigingen van de Regeling heeft de gemeente bijgewerkte versies van de bijlage op dezelfde wijze gepubliceerd. Waar partijen over verdeeld zijn, is de vraag of de bijlage op deze wijze is bekendgemaakt conform de Bekendmakingswet. 18. Gemachtigde stelt dat de bijlage niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en daardoor niet in werking is getreden. Volgens gemachtigde is de bijlage niet in het gemeenteblad gepubliceerd (artikel 6 van de Bekendmakingswet) en niet gebleken is dat aan de uitzondering van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet is voldaan. Gemachtigde concludeert dat de bijlage niet in werking is getreden en dat de naheffingsaanslagen daarom ten onrechte zijn opgelegd. 19. Verweerder stelt dat de bijlage, inclusief latere wijzigingen van de Regeling en de bijlage, conform artikel 6 van de Bekendmakingswet zijn bekendgemaakt. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet. 20. Uit artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet in samenhang met artikel 6 van de Bekendmakingswet volgt dat het college van burgemeester en wethouders algemeen verbindende voorschriften bekendmaakt door deze te plaatsen in het gemeenteblad. Op grond van artikel 8 van de Bekendmakingswet treedt een algemeen verbindend voorschrift niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 21. Artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet schrijft voor dat de uitgifte van het gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur. Hiermee wordt de digitale infrastructuur bedoeld die ervoor zorgt dat de informatie daadwerkelijk via internet beschikbaar komt en blijft, waaronder een website waarmee de informatie wordt ontsloten. Door deze standaardisatie is het voor burgers mogelijk om op één website (officielebekendmakingen.nl) alle algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van de overheid te raadplegen, hetgeen de toegankelijkheid en kenbaarheid ervan ten goede komt. 22. In uitzondering op artikel 6 van de Bekendmakingswet kunnen bijlagen bij algemeen verbindende voorschriften onder bepaalde voorwaarden via een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium worden bekendgemaakt. Dit is bepaald in artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet, luidende: “In afwijking van artikel 4, artikel 5 of artikel 6, kan een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in die artikelen genoemd besluit na voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een bij die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit behorende bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, die Verder twijfelt gemachtigde aan het aantal naheffingsaanslagen waarmee is gerekend en wijst hij erop dat het aantal geraamde naheffingsaanslagen (266.500) verschilt van het aantal naheffingsaanslagen genoemd in het raadsvoorstel van 31 oktober 2023 (258.300). - Uit de gemeentelijke programmabegroting Mobiliteit 2024-2027 blijkt dat voor het jaar 2024 een bedrag van € 11,2 miljoen is begroot voor de kosten van het innen van parkeeropbrengsten uit straatparkeren, parkeervergunningen en de wegsleepregeling, terwijl bij de vaststelling van de kosten van de naheffingsaanslagen een raming van € 20,6 miljoen is gehanteerd. Het is volgens gemachtigde volstrekt onlogisch dat ‘innen van parkeerbelasting’ goedkoper is dan het innen van niet-betaalde parkeerbelasting. - Tot slot stelt gemachtigde dat het allerminst denkbeeldig is dat de gemeenten bij het maken van een kostenraming sturen op het maximumbedrag. Ter onderbouwing heeft gemachtigde een e-mailcorrespondentie overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat een gemeente (anders dan gemeente Den Haag) samen met een adviseur onderzoekt hoe de kosten van de naheffingsaanslag kunnen worden geraamd op het wettelijk maximum. 27. Verweerder heeft de stellingen van gemachtigde gemotiveerd weersproken en beantwoordt de hierboven gestelde vraag ontkennend. Per bestreden kostenpost heeft verweerder toegelicht waarop de kosten zien, waarom de kosten ‘lasten ter zake’ zijn en/of waarom de kosten vallen onder de betreffende gespecificeerde kostenpost. Daarnaast heeft verweerder toegelicht hoe de gemeente het aantal naheffingsaanslagen heeft geraamd. 28. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat voor kostenpost B2, waarvoor geen bedrag in de kostenraming is opgenomen, geen kosten in rekening zijn gebracht. Naast deze kostenpost zijn de kostenposten A4, A5, C1 en E1 niet in geschil. 29. Op basis van artikel 234, vijfde en zesde lid, van de Gemeentewet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag. Het bedrag van de in rekening te brengen kosten wordt ingevolge genoemd zesde lid in de belastingverordening bepaald. In artikel 5:10 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (geldend in 2024) zijn de kosten per naheffingsaanslag vastgesteld op € 76,70. Dit is overeenkomstig het in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gestelde maximum voor 2024. 30. Volgens artikel 2, eerste lid, van het Besluit kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag ten hoogste bestaan uit een aantal voorgeschreven componenten (zie onder 6), voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de raad, op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. 31. Gerechtshof Den Haag heeft in een aantal uitspraken van 9 januari 2025 het volgende overwogen over de kostenraming: “5.5.2. De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de Dit is bijvoorbeeld waarom de salaris- en opleidingskosten van controleurs in de kostenraming zijn gekwalificeerd als personeelskosten. Personeel dat niet rechtstreeks kan worden toegerekend valt onder de (gemeentebrede) overheadkosten. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze toelichting dan wel kwalificatie van de betreffende kosten te twijfelen. Daarnaast acht de rechtbank deze wijze van toerekenen in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, onderdelen e en f, van het Besluit en kosten worden hierdoor niet vaker dan één keer meegerekend. De andersluidende stellingen van gemachtigde slagen niet. Verweerder heeft verder toegelicht dat bij kostenpost B1 (“Perceptiekosten Belastingen”) de invorderingskosten die reeds op een andere wijze worden verhaald, niet worden toegerekend aan de naheffingsaanslagen. De rechtbank acht dit juist. Ten aanzien van het geraamde aantal naheffingsaanslagen heeft verweerder verklaard continu in de gaten te houden of het betaald parkeergebied wel of niet wordt uitgebreid en of het aantal verwachte naheffingsaanslagen mede op basis daarvan moet worden aangepast. Dit verklaart volgens verweerder ook waarom het aantal naheffingsaanslagen in het raadsvoorstel (258.300) afwijkt van de latere raming (266.500), waarbij verweerder nog heeft opgemerkt dat deze uiteindelijke raming slechts 0,01% afwijkt van het werkelijk aantal opgelegde naheffingsaanslagen. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om het uiteindelijk geraamde aantal naheffingsaanslagen van 266.500 naar boven bij te stellen. Ten aanzien van de € 11,2 miljoen genoemd in de programmabegroting Mobiliteit 2024-2027 heeft verweerder toegelicht dat dit bedrag ziet op de lasten die gepaard gaan met het innen van parkeerbelastingen en dat dit iets anders is dan de lasten die zien op de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen via naheffingsaanslagen (geraamd op € 20,6 miljoen). Alleen voor laatstbedoelde inning zijn bijvoorbeeld scanauto’s nodig. Dit verklaart waarom de geraamde bedragen van elkaar verschillen. De klacht die in dit kader is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de onderhavige kostenraming niet juist is. Hetzelfde geldt voor de e-mailcorrespondentie inzake de kostenraming van een andere gemeente. Ook de stellingen dat verweerder niet had mogen uitgaan van het overheadpercentage van 50% gelet op de Programmabegroting 2024-2027 en dat verweerder ten onrechte slechts is uitgegaan van het aantal inbare naheffingsaanslagen, slagen niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan bijvoorbeeld gerechtshof Den Haag en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden reeds hebben gedaan. 35. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten van de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd? 36. Voor het beroep met zaaknummer SGR 24/6449 geldt dat gemachtigde in het beroepschrift heeft verwezen naar een (volgens gemachtigde: gebrekkige) motivering van verweerder. De door gemachtigde geciteerde motivering komt echter niet voor in de onderhavige uitspraak op bezwaar. Reeds hierom kan dit beroep op het motiveringsbeginsel niet slagen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in de uitspraak op bezwaar voldoende duidelijk is aangegeven waarom het bezwaar van eiser is afgewezen. 37. Voor het beroep met zaaknummer SGR 24/9218 geldt het volgende. Gemachtigde beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend. Verweerder heeft door te verwijzen naar jurisprudentie over eerdere kostenramingen in de uitspraak op bezwaar niet op alle door gemachtigde aangedragen argumenten inzake de kostenraming 2024 gereageerd, zodat de uitspraak op bezwaar volgens gemachtigde niet in stand kan blijven. 38. Verweerder beantwoordt bovenstaande vraag bevestigend. Verweerder stelt dat het door gemachtigde aangevoerde en de door verweerder gegeven onderbouwing al meermalen op verzoek van de gemachtigde is getoetst, met de uitspraken van Gerechtshof D