Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19817
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/1593 en SGR 25/1594 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaken tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema, LLB), en de heffingsambtenaar van gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 januari 2025 de naheffingsaanslagen gehandhaafd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Gemachtigde heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. De onderhavige zaken zijn gelijktijdig met 108 andere zaken van gemachtigde behandeld, vanwege drie identieke, niet-zaakspecifieke beroepsgronden. Namens eiseres is verschenen zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra, mr. F.M.A. van der Zwaag en [naam 2] . Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaken aan te houden. Als reden hiervoor heeft gemachtigde, kort gezegd, aangevoerd dat binnen afzienbare tijd een arrest van de Hoge Raad wordt verwacht over de kosten per naheffingsaanslag van gemeente Den Haag van een eerder jaar. Volgens de door de rechtbank ingewonnen informatie bij de Hoge Raad wordt dit arrest op zijn vroegst in februari 2026 gewezen. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van de beroepen bij de rechtbank, gelet ook op het belang dat de wederpartij heeft bij een voortgang van de procedure, in strijd met een goede procesorde en derhalve niet wenselijk acht. Na sluiting van het onderzoek heeft gemachtigde in de zaken met nummers SGR 24/6455 en SGR 24/9323 nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil zijn deze stukken dan ook buiten beschouwing gelaten. Overwegingen Feiten 1. Op 29 november 2024 om 20:50 uur en op 6 december 2024 om 20:15 uur stond de auto van eiseres met het kenteken [kenteken 1] (de auto) geparkeerd aan de [straatnaam 1] ter hoogte van nummer 216, respectievelijk de [straatnaam 2] ter hoogte van nummer 82. Deze locaties zijn door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Den Haag aangewezen als plaatsen waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting. 2. Tijdens controles op voormelde data en tijdstippen is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding hiervan zijn de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. Beide naheffingsaanslagen bedragen € 79,30, waarbij € 2,60 ziet op nageheven parkeerbelasting en € 76,70 op kosten van de naheffing. 3. Tot de gedingstukken behoort een kostenraming van gemeente Den Haag voor het jaar 2024 ter zake van de bij de naheffingsaanslagen in rekening te brengen kosten (zie de bijlage bij deze uitspraak). Deze kostenraming is onderverdeeld conform de componenten genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt: a. vaste informatieverwerkingskosten (€ 3.278.977); b. variabele informatieverwerkingskosten (€ 2.012.855); c/d. kosten van afschrijving en interest (€ 540.945); e. personeelskosten (€ 9.876.471); f. overheadkosten, ten hoogste 50% van de personeelskosten (€ 4.938.236). Elke component is, afgezien van de overheadkosten, uitgesplitst in specifieke kostenposten (24 in totaal). De geraamde kosten bedragen in totaal € 20.647.484 en het aantal naheffingsaanslagen is geraamd op 266.500, wat neerkomt op € 77,48 kosten per naheffingsaanslag. Geschil 4. In geschil is of: - de bijlage bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling) op de juiste wijze is b Dit is bepaald in artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet, luidende: “In afwijking van artikel 4, artikel 5 of artikel 6, kan een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in die artikelen genoemd besluit na voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een bij die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit behorende bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het in die artikelen bedoelde publicatieblad.” 14. De rechtbank stelt vast dat de bijlage via de website officielebekendmakingen.nl via een link raadpleegbaar is en opgenomen is in de bekendmaking van de Regeling in het gemeenteblad van gemeente Den Haag. Hetzelfde geldt voor latere versies van de Regeling en de bijlage. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor rechtsgeldige publicatie zoals bepaald in artikel 6 van de Bekendmakingswet. De toegankelijkheid en kenbaarheid van de Regeling en de bijlage zijn op deze wijze ook optimaal gewaarborgd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd? 15. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat zij de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, maar dan op het kenteken van haar andere auto (met kenteken [kenteken 2] ). De naheffingsaanslagen komen volgens haar daarom voor vernietiging in aanmerking, aangezien volgens artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alleen niet-betaalde (verschuldigde) belasting kan worden nageheven. 16. Verweerder stelt dat naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Volgens vaste rechtspraak is alleen sprake van parkeren met een vergunning als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Een van deze voorwaarden is dat het (juiste) kenteken van het geparkeerde voertuig wordt aangemeld. Omdat een onjuist kenteken is opgegeven, was geen sprake van parkeren met een vergunning en ontstond geen geldig parkeerrecht. Volgens de voorwaarden van de gemeente moeten fouten bij het gebruik van de parkeervergunning voor rekening van de parkeerder blijven. Daarnaast rustte op eiseres een (vergaande) onderzoeksplicht. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 maart 2019. 17. De rechtbank stelt voorop dat alleen sprake is van parkeren met een vergunning als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Volgens de gebruiksvoorwaarden die aan de bezoekersvergunning zijn verbonden, dient het kenteken van het voertuig aangemeld te zijn. Hiervoor dient men het meldnummer, de pincode en het juiste kenteken van het voertuig door te geven. 18. Vast staat dat op 29 november 2024 en op 6 december 2024 de auto van eiseres met het kenteken [kenteken 1] niet was aangemeld op de bezoekersvergunning. Er was daardoor op dat moment geen sprake van parkeren met een parkeervergunning. Nu de parkeerbelasting ook niet op een andere wijze is voldaan, zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. 19. Het feit dat per ongeluk een ander kenteken is aangemeld op de bezoekersvergunning, kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals terecht is aangevoerd door verweerder, blijven fouten bij het aan- of afmelden voor rekening van de parkeerder c.q. de vergunninghouder. 20. Het beroep van eiseres op artikel 20 van de AWR slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen, is door het verkeerd invoeren van het kenteken geen sprake van parkeren met een vergunning, waardoor de parkeerbelasting voor de auto met het kenteken [kenteken 1] in zijn geheel niet is voldaan. In zo’n geval is naheffing van de verschuldigde parkeerbelasting op grond van artikel 20 van de AWR wel mogelijk. Het bedrag van de in rekening te brengen kosten wordt ingevolge genoemd zesde lid in de belastingverordening bepaald. In artikel 5:10 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (geldend in 2024) zijn de kosten per naheffingsaanslag vastgesteld op € 76,70. Dit is overeenkomstig het in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gestelde maximum voor 2024. 25. Volgens artikel 2, eerste lid, van het Besluit kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag ten hoogste bestaan uit een aantal voorgeschreven componenten (zie onder 3), voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de raad, op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. 26. Gerechtshof Den Haag heeft in een aantal uitspraken van 9 januari 2025 het volgende overwogen over de kostenraming: “5.5.2. De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de modelbepalingen voor het verhalen van kosten.[3] De ruime formulering van ‘samenhangen met’ brengt mee, dat kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting kunnen worden toegerekend.[4] Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm in artikel 229b van de Gemeentewet.[5] Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor tenminste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend.[6] Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend. Anders dan belanghebbende heeft bepleit, geeft de formulering “voor zover” in artikel 2, lid 1 van het Besluit geen aanleiding om de mogelijkheid van kostenverhaal beperkter uit te leggen. Dat zou indruisen tegen de kennelijk door de besluitgever beoogde zekerstelling van de ruime mogelijkheid tot kostenverhaal door de wijziging van het Besluit per 1 juli 2019.[voetnoot 3: Stb. 2019, 46, p. 8.] [voetnoot 4: Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, r.o. 4.2.2 en 4.2.3 en Conclusie A-G Pauwels 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.17.][voetnoot 5: Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016 en ECLI:NL:HR:2019:1020.][voetnoot 6: Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, en Hoge Raad 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2710.]” 27. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstre