Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:19816
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/13630 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. T. de Boer), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eiser in een opvanglocatie van verweerder. Eiser is het daar niet mee eens. Hij heeft beroep ingesteld tegen die beslissing en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ervoor zorgt dat hij weer tot de opvang wordt toegelaten. Het verzoek om een voorlopige voorziening is naar aanleiding van ontwikkelingen in de zaak ingetrokken, met verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Op dit verzoek wordt beslist in een aparte uitspraak. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beëindiging van de opvang van eiser onrechtmatig is geweest. Eiser krijgt dus gelijk, het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Soedanese nationaliteit. Eiser heeft sinds 18 december 2024 een verblijfsstatus asiel bepaalde tijd. Eiser verbleef in een opvanglocatie van verweerder. Op 3 juni 2025 heeft verweerder de opvang van eiser beëindigd. Verweerder heeft eiser dit laten weten met een brief van dezelfde datum ‘Melding vertrokken bewoners’ (het bestreden besluit). 2.2. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft de opvanglocatie moeten verlaten, omdat hij slachtoffer is geworden van mishandeling door een medebewoner. Eiser heeft hier aangifte van gedaan. Hij voelde zich niet meer veilig om terug te keren naar de opvang omdat de betreffende medebewoner ook na de aangifte en interventie door het Openbaar Ministerie doorging met intimideren. Eiser was met verweerder in gesprek over een oplossing voor deze situatie. Eiser heeft tijdelijk bij een vriend verbleven omdat hij vreesde voor zijn veiligheid. Gedurende deze tijd heeft eiser zich een paar keer niet gemeld bij de opvang, maar hij heeft wel steeds telefonisch en via WhatsApp contact gehouden met de COa-medewerker die zijn contactpersoon in de opvanglocatie was. Uiteindelijk kreeg hij een laatste uitdrukkelijk verzoek van verweerder om zich te melden. Hier heeft hij zich wel aan gehouden: hij is toen teruggekeerd naar de opvanglocatie en heeft zich gemeld. Ondanks dat heeft verweerder zijn opvang beëindigd met de brief ‘Melding vertrokken bewoners’. Eiser werd verteld dat hij ‘uit het systeem was gehaald, omdat hij drie aanmeldingen had gemist’. Eiser begreep niet waarom hij de opvang moest verlaten, nu hij voor zijn eigen veiligheid was weggegaan, hij wel steeds in contact was gebleven met verweerder en nu verweerder hem ook steeds had laten weten bezig te zijn met het vinden van een oplossing voor de situatie. 2.3. De rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de zitting gevraagd of zij, gelet op het verhaal van eiser, ruimte ziet voor een minnelijke oplossing in deze zaak, door eiser opnieuw toe te laten tot de opvang. 2.4. Verweerder heeft op 28 augustus 2025 per e-mail laten weten dat eiser bij hoge uitzondering weer toe wordt gelaten tot de opvang, dat eiser zich met dat schrijven kan melden in [locatie 1] en dat het huisvestingstraject weer opgestart zal worden. 2.5. De rechtbank heeft eiser gevraagd of deze toezegging wellicht aanleiding is voor hem om zijn beroepschrift en verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Eiser heeft op 29 augustus 2025 laten weten dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening intrekt. Hij verzoekt de rechtbank Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat zij het huisvestingstraject voor eiser weer heeft opgestart en dat zij de plek van eiser op de wachtlijst bij de gemeente Utrecht heeft hersteld. Onduidelijk is echter nog of de plek van eiser op de wachtlijst wordt hersteld naar de positie die eiser op deze wachtlijst had vóór de beëindiging van de opvang, of dat eiser nu opnieuw op de wachtlijst wordt geplaatst. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep. Was de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang in voornoemde periode onrechtmatig? 5.1. Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang in voornoemde periode onrechtmatig was. Deze vraag hangt nauw samen met het feitenverloop voorafgaand aan de beëindiging. De rechtbank loopt deze feiten daarom na. Verweerder heeft onderstaande feiten, zoals deze zijn geschetst door eiser, niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van dit feitenverloop. 5.2. Eiser verbleef één jaar en acht maanden op een opvanglocatie van verweerder. Op 3 mei 2024 werd eiser in deze opvanglocatie door een medebewoner geslagen. Eiser heeft daarvan op diezelfde dag aangifte gedaan bij de politie. Eiser gaf daarbij aan dat de medebewoner hem opeens begon uit te schelden. Eiser wilde weggaan, toen de medebewoner hem sloeg. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens besloten de medebewoner niet te vervolgen, omdat hij door de gebeurtenis al genoeg zou zijn gestraft. Aan de medebewoner is door het Openbaar Ministerie wel een proeftijd van één jaar opgelegd, waarin hij zich aan voorwaarden moet houden. Toen eiser na de aangifte terugkwam in de opvanglocatie, kwam de bewoner die hem had bedreigd en aangevallen telkens dicht bij hem zitten. Eiser voelde zich daardoor niet meer veilig en wilde niet meer in de opvanglocatie blijven. Eiser heeft dit aan verweerder laten weten. Verweerder gaf aan een oplossing te zoeken voor de situatie. Eiser zou na vier dagen moeten terugkomen. Eiser heeft toen vier dagen bij een vriend doorgebracht. Daarna had hij weer een afspraak bij verweerder, waarin hem werd gevraagd nog een week te wachten om het probleem op te lossen. Eiser heeft toen nog een week gewacht. Na die week had verweerder nog geen oplossing geboden aan eiser. Eiser heeft toen bij Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aangeklopt. VWN heeft namens eiser contact opgenomen met verweerder. Uit dat gesprek bleek dat eiser nog één of twee weken zou moeten wachten. Eiser is weer tijdelijk bij een vriend gaan slapen, omdat de medebewoner die hem eerder had belaagd nog steeds op de opvanglocatie verbleef. In de drie weken dat eiser niet op de opvang was, heeft hij zich niet gemeld op de opvanglocatie. Wel heeft hij steeds contact gehad met de COa-medewerker die zijn contactpersoon was in de opvanglocatie. Na drie weken werd eiser gebeld door een COa-medewerker en werd hem meegedeeld dat hij drie keer niet op de meldplicht was verschenen. Aan eiser werd een laatste kans gegeven om zich te melden, anders zou de opvang worden beëindigd. Eiser heeft zich toen gemeld. Daarna heeft hij een week op de opvanglocatie verbleven, zonder zijn kamer te verlaten, omdat hij bang was voor de medebewoner die hem eerder had belaagd. Na deze week werd eiser uitgenodigd voor een afspraak met een COa-medewerker om een oplossing te zoeken. In plaats daarvan werd aan eiser bij dat gesprek meegedeeld dat hij uit het systeem was gehaald, omdat hij drie keer niet was verschenen bij de meldplicht. Zijn opvang was beëindigd. Eiser kreeg de brief ‘Melding vertrokken bewoner’ van 3 juni 2025 mee, waarin als reden was aangekruist ‘Beëindiging opvang administratieve plaatsing’. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de beëindiging van de opvang en het onthouden van opvang gedurende voornoemde periode niet alleen onzorgvuldig, zoals verweerder toegeeft, maar ook in strijd met De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de beslissing om de opvang te beëindigen ook niet naar behoren heeft gemotiveerd, zoals is vereist op grond van artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Opvangrichtlijn. Eiser ontving alleen een brief ‘Melding vertrokken bewoner’, waarin als reden voor vertrek is aangekruist: ‘Opvang van de administratief geplaatste bewoner wordt beëindigd’. Uit de brief wordt echter niet duidelijk waarom de opvang in het specifieke geval van eiser, gelet op alle feiten en omstandigheden, is beëindigd. Volgens artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn moet een beslissing tot beëindiging van opvang worden genomen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Ook aan die eis is in dit geval niet voldaan, nu er in de brief niets staat over hoe de beëindiging van opvang zich verhoudt tot het feitenverloop en waarom beëindiging van opvang in het licht van dat feitenverloop proportioneel zou zijn. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank meegedeeld dat het einde van de opvang voortvloeide uit het herhaaldelijk niet melden van eiser en dat dit van rechtswege volgt uit artikel 12, tweede lid, bezien in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Rva 2005. Omdat verweerder eiser een vierde kans heeft gegeven en die weer heeft teruggedraaid, wat niet zorgvuldig was, heeft eiser nu weer een plek in de opvang, aldus verweerder. De rechtbank begrijpt deze uitleg zo dat verweerder de beëindiging van de opvang van eiser niet onrechtmatig vindt, maar alleen onzorgvuldig. Zij volgt verweerder niet in dat standpunt. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar wat hierboven is overwogen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder zich gelet op het feitenverloop in deze zaak niet met succes kan beroepen op artikel 7, eerste lid, Rva 2005 in samenhang met artikel 12, tweede lid, Rva 2005 (kort gezegd: het twee keer niet voldoen aan de meldplicht), nu verweerder volledig van eisers situatie op de hoogte was, verweerder eiser zelf opnieuw uitnodigde om zich te melden en eiser zich toen heeft gemeld en opnieuw een week op de opvanglocatie heeft verbleven. Conclusie en gevolgen 6.1. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:4, tweede lid, en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 20 van de Opvangrichtlijn. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu eiser sinds 2 september 2025 weer is toegelaten tot de opvang hoeft de rechtbank verweerder niet te gelasten dat alsnog te doen. 6.2. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener d