Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:19758
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50017
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 21 oktober 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002. Hij heeft afwisselend verklaard de Marokkaanse nationaliteit, dan wel de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 6 augustus 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko of Algerije binnen een redelijke termijn. Hij stelt dat algemeen bekend is dat aanvragen voor een laissez-passer (LP) voor Marokko de laatste jaren geen resultaat heeft opgeleverd, enkele uitzonderingen daargelaten. De LP-aanvragen voor Marokko en Algerije lopen al sinds 10 juli 2025 respectievelijk 29 juli 2025 en er is geen enkele reactie van de autoriteiten van deze landen ontvangen. Gelet hierop is ook onvoldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In zijn algemeenheid ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko en Algerije niet. Eiser heeft niet concreet onderbouwd dat in zijn geval zicht op uitzetting naar deze landen wel ontbreekt. De enkele stelling dat algemeen bekend is dat de Marokkaanse autoriteiten de laatste jaren geen LP’s hebben verstrekt en dat zowel de Marokkaanse als de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de LP-aanvragen voor eiser is onvoldoende om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar deze landen ontbreekt. Eerder is al vastgesteld dat eiser op 29 juli 2025 heeft geweigerd om een vertrekgesprek te voeren. Uit het verslag van het op 2 september 2025 met eiser gevoerde vertrekgesprek volgt dat eiser niet wenst terug te keren naar zijn land van herkomst. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de autoriteiten van Marokko en/of Algerije ondanks eisers volledige medewerking niet bereid zijn om binnen afzienbare tijd voor eiser een LP af te geven.
6. Verder werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft in de toetsen periode voldoende periodiek gerappelleerd aan de autoriteiten. De afdeling DIA heeft op 16 september 2025 bovendien extra gerappelleerd over de lopende LP-aanvraag van eiser bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast heeft verweerder op 2 september 2025 en 3 oktober 2025 met eiser een vertrekgesprek gevoerd.
7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 oktober 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:14759.
Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025, ECLI:Nl:RVS:2025:219 (Marokko) en van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722 (Algerije).
Dienst Internationale Aangelegenheden.