Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:19755
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,314 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32747
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beschikking van 26 juni 2025 voor zover de minister daarin de geboortedatum van eiser heeft vastgesteld. Volgens eiser is de minister van een onjuiste geboortedatum uitgegaan. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in Italië geregistreerde geboortedatum is overgenomen. Het beroep is dan ook gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 31 januari 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft aan eiser met het bestreden besluit van 26 juni 2025 een verblijfsvergunning verleend; de minister heeft daarbij de in Italië geregistreerde geboortedatum, [geboortedatum] 2003, aangehouden.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit besluit ziet op de vastgestelde geboortedatum.
2.2.
De minister heeft op 10 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 13 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. Een medewerker van de AVIM en een medewerker van de IND hebben beiden een leeftijdsschouw gedaan. De AVIM heeft eiser op 31 januari 2023 geschouwd en geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van eiser. Daarom is nader onderzoek naar de leeftijd nodig geacht. De minister heeft op 10 februari 2023 aan de Italiaanse autoriteiten om informatie verzocht over de in Italië opgenomen gegevens van eiser en de totstandkoming van deze gegevens. Op dit verzoek is op
27 februari 2023 gereageerd. In Italië heeft eiser een meerderjarige leeftijd opgegeven, met als geboortedatum [geboortedatum] 2003. Deze datum volgt enkel uit eisers eigen verklaring; er is geen nader onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser. De IND heeft eiser op 31 december 2023 geschouwd en geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Omdat eiser in Nederland geen identificerende documenten of overtuigende verklaringen heeft overgelegd waaruit de gestelde minderjarige leeftijd blijkt, heeft de minister de geboortedatum zoals vastgesteld in Italië overgenomen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser meent dat zijn verklaringen omtrent zijn leeftijd ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Allereerst is onduidelijk gebleven waarom de AVIM en IND twijfelen over de leeftijd dan wel tot evidente meerderjarigheid zijn gekomen. Er wordt verwezen naar uiterlijke kenmerken en gedragingen, maar er wordt niet nader toegelicht waarom deze kenmerken en gedragingen maken dat eiser niet minderjarig zou zijn. Eiser meent dat ten onrechte is uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Italië omdat de minister geen afdoende onderzoek heeft gedaan naar de registratie in Italië. Eiser stelt dat niet is gebleken dat de minister voldoende heeft uitgezocht op basis waarvan en onder welke omstandigheden de registratie in Italië heeft plaatsgevonden. Volgens eiser heeft de minister enkel vastgesteld dat in Italië geen onderzoek is gedaan.
Leeftijdsschouw
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat gebruik gemaakt kan worden van leeftijdsschouwen mits deze zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Daarbij dient duidelijk een verbinding te worden gemaakt tussen de observaties en de daaruit getrokken conclusies. In het proces-verbaal van de AVIM zijn enkele lichamelijke kenmerken van eiser opgenomen en is genoteerd: “Gedrag en uiterlijk zouden kunnen passen bij een ouder iemand.”. De rechtbank stelt vast dat niet nader is toegelicht waar deze conclusie, vooral met betrekking tot het gedrag, uit volgt. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt hoe tot de conclusie is gekomen dat door de geobserveerde lichamelijke kenmerken sprake is van een ouder iemand. Ook is niet toegelicht wat precies wordt bedoeld met ‘een ouder iemand’. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de AVIM-schouw onvoldoende inzichtelijk en concludent is.
5.1.
In de leeftijdsschouw van de IND-medewerker zijn de lichamelijke kenmerken en het gedrag van betrokkene uitgeschreven. Daarna is inzichtelijk gemaakt dat uit die geobserveerde kenmerken in combinatie met de verklaringen van eiser de conclusie is getrokken dat eiser evident meerderjarig is.
5.2.
Uit voorgaande volgt dat een van de leeftijdsschouwen niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. De leeftijdsschouw is daarom geen bruikbaar middel voor de beoordeling van de leeftijd van eiser. Dat neemt niet weg dat de minister, zoals de Afdeling ook heeft overwogen, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, nader onderzoek mag doen naar de leeftijd van eiser.
Leeftijdsonderzoek in Italië
6. De minister heeft nader onderzoek verricht door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten. De vraag is vervolgens of de minister heeft kunnen uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. De Afdeling heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. Dit betekent dat de minister niet in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie. Als de minister een afwijkende leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, mag hij die wel bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Wanneer aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister uitgaan van de minderjarigheid van eiser en is het aan de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is opgenomen dat de minister meer gewicht toekent aan de in Italië geregistreerde geboortedatum omdat de minister ervan uitgaat dat in Italië een zorgvuldige registratie van de geboortedatum van eiser heeft plaatsgevonden. De minister overweegt daarbij dat eiser in Nederland geen originele identificerende documenten heeft overgelegd en wisselend en vaag heeft verklaard over zijn leeftijd. Omdat eiser, zo staat in het bestreden besluit vermeld, zijn minderjarige leeftijd hiermee niet heeft kunnen aantonen, is de minister bij de beoordeling van de asielaanvraag uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum] 2003.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat de minister ten onrechte overweegt dat er wordt uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum, omdat eiser zijn minderjarigheid niet heeft aangetoond. Door van eiser te verlangen dat hij zijn minderjarigheid aantoont, miskent de minister de presumptie van minderjarigheid. De minister dient uit te gaan van de minderjarigheid van eiser en het is aan de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen.
6.3.
Dat het ontbreken van identificerende documenten en het wisselend verklaren van eiser tot de conclusie leidt dat de registratie van de leeftijd van eiser in Italië zorgvuldig is geweest volgt de rechtbank niet. De minister heeft hiermee immers niet toegelicht waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd en waarom dit zorgvuldig is. Gelet op genoemde uitspraak van de Afdeling had het op de weg van de minister gelegen om in Italië navraag te doen naar de omstandigheden waaronder de leeftijd van eiser is geregistreerd. Uit de reactie van de Italiaanse autoriteiten op vragen over het leeftijdsonderzoek blijkt alleen dat in Italië de geboortedatum [geboortedatum] 2003 is geregistreerd, dat daar geen leeftijdsbeoordeling heeft plaatsgevonden en dat er geen documenten beschikbaar zijn van eiser. Op welke wijze de leeftijd van eiser in Italië is vastgesteld volgt niet uit de verkregen informatie.
6.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom meer gewicht is toegekend aan de in Italië geregistreerde geboortedatum. De beroepsgrond slaagt.
6.5.
De rechtbank merkt overigens op dat eiser tijdens de asielprocedure is bijgestaan door een voogd van Nidos, nu Nidos uitging van de minderjarigheid van eiser. In het bestreden besluit is deze aanname van Nidos niet of in elk geval niet kenbaar bij de beoordeling betrokken.
Conclusie
7. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom is uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist over de geboortedatum van eiser. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 26 juni 2025 voor zover daarin is beslist dat de door eiser gestelde geboortedatum niet geloofwaardig wordt geacht en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4491.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801 onder punt 12.2.
Zie punt 4.3. van de in noot 1 genoemde uitspraak en punt 18. van de in noot 2 genoemde uitspraak.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
Zie noot 5.
Verslag nader gehoor 28 januari 2025, blz. 5
Algemene wet bestuursrecht.