Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:19750
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,461 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31053
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift, ook na herstelmogelijkheid, niet was ondertekend.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het
bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan. Een van die vereisten is dat het bezwaarschrift moet zijn ondertekend (artikel 6:5 van de Awb). De indiener moet op grond van artikel 6:6 van de Awb wel in de gelegenheid zijn gesteld het verzuim te herstellen. Dat dit is gebeurd is niet in geschil.
3.1.
Wel in geschil is of het bezwaarschrift als ondertekend moet worden beschouwd en of het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk kon worden verklaard.
3.2.
De rechtbank overweegt dat ondertekening van een bezwaarschrift als bewijs dient dat het geschrift daadwerkelijk door of namens de indiener is opgesteld. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven volgt dat een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift achterwege blijft, indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit niet hoeft te worden getwijfeld.
3.3.
Deze rechtspraak volgend is de rechtbank van oordeel dat de minister het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt daarbij dat de naam van de gemachtigde van eiser onder het bezwaarschrift staat, dat de minister aan deze gemachtigde een link heeft gestuurd waarmee hij via berichtenplatform Zivver de bezwaargronden kon indienen en dat eiser de bezwaargronden met behulp van deze link heeft ingediend. Verder heeft de minister de gemachtigde het dossier gestuurd, nog voordat de gevraagde handtekening was verkregen. De rechtbank overweegt verder dat gemachtigde bij de IND, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en bij het Ministerie van Asiel en Migratie bekend is als gemachtigde en dat gemachtigde via zijn briefpapier duidelijk te identificeren was. Daarbij is ter zitting gebleken dat niet ondertekende bezwaarschriften door gemachtigde ingediend in eerdere procedures, bij beide genoemde ministeries, wel in behandeling zijn genomen.
3.4.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waar de minister ter zitting naar heeft verwezen heeft betrekking op termijnoverschrijding en doet aan onderhavige situatie niet af.
3.5.
De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden, waaronder ook wat ter zitting is gezegd, geen grond om te twijfelen aan de identiteit van gemachtigde. De minister heeft daarom niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift kunnen overgaan.
Conclusie
4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat het beroep gegrond is moet de minister eiser een vergoeding betalen voor zijn proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend en bedraagt € 1.814.
4.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 2 juli 2025;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, op 15 oktober 2025.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2011:BU9038, ECLI:NL:CRVB:2017:1661, ECLI:NL:CRVB:2018:128, ECLI:NL:CRVB:2019:1706 en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven met kenmerk ECLI:NL:CBB:2017:414.
ECLI:NL:RVS:2024:2661.
Twee punten voor de proceshandelingen (indienen beroepschrift en deelnemen aan de zitting op 15 oktober 2025) met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.