Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:19732
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
881 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/15879
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2025 in de zaak tussen
[naam verzoeker], verzoeker
geboren op [geboortedatum verzoeker],
van [nationaliteit verzoeker],
V-nummer: [V-nummer verzoeker]
mede namens zijn vrouw:
[naam verzoekster], verzoekster
geboren op [geboortedatum verzoekster],
van [nationaliteit verzoekster],
V-nummer: [V-nummer verzoekster]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De minister heeft de aanvraag van verzoekers bij besluit van 11 september 2024 afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
De minister heeft op 23 juni 2025 een beslissing op bezwaar genomen, waarbij aan de bezwaren van verzoekers tegemoet is gekomen.
1.4.
De rechtbank heeft verzoekers op 25 september een brief gestuurd. Nu de minister tegemoet is gekomen aan de bezwaren van verzoekers, heeft de rechtbank verzoekers de vraag voorgelegd wat er nu nog moet gebeuren met de verzoeken van 8 oktober 2024.
Deze brief is op 25 september 2025 per aangetekende post verzonden. De brief is retour gekomen bij de rechtbank op 6 oktober 2025 waarbij staat aangegeven dat verzoekers niet meer op dit adres wonen.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers hun nieuwe adres niet aan de rechtbank hebben doorgegeven. Dan geldt de veronderstelling dat zij niet langer een inhoudelijke beoordeling van hun verzoek verlangen. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat de minister inmiddels positief op hun aanvraag heeft beslist. Bovenstaande betekent dat het vereiste procesbelang ontbreekt.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.