Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:19554
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,139 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40088
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.5
4. Eiser heeft op 4 januari 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 28 januari 2025 heeft de minister Duitsland verzocht om eiser op grond van artikel 18,
eerste lid, onder b, van de Dublinverordening terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek geweigerd op 29 januari 2025, met de vermelding dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Op 30 januari 2025 heeft de minister Duitsland verzocht om het verzoek tot terugname te heroverwegen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek wederom geweigerd op 31 januari 2025. Daarmee is Nederland op 31 januari 2025 verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser en is de beslistermijn van zes maanden vanaf die datum ingetreden.
5. De minister diende uiterlijk op 31 juli 2025 te beslissen op de aanvraag
(31 januari 2025 + zes maanden). Eiser heeft de minister op 16 juli 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Simorangkir, griffier.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.