Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:1954
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4937
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 februari 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 januari 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 7 januari 2025.
4. Eiser voert aan dat in de verzwaarde belangenafweging ten onrechte is genoemd dat eiser asiel heeft aangevraagd met het doel om uitzetting naar Algerije te voorkomen. Verweerder heeft deze stelling niet gemotiveerd. De belangenafweging dient daarom in het voordeel van eiser uit te vallen. Daarnaast bestaat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, nu een uitzettingsdatum niet bekend is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder heeft tijdig een verzwaarde belangenafweging verricht. Daarnaast heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. In dat verband heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser zijn herhaalde asielaanvraag van 4 oktober 2024 heeft ingediend met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te belemmeren of te frustreren. Eiser heeft namelijk een herhaalde asielaanvraag ingediend nadat hij al meer dan twee maanden in bewaring verbleef. Ook wordt vastgesteld dat hij deze asielaanvraag pas enkele dagen voor zijn geplande uitzetting naar Algerije op 7 oktober 2024 heeft ingediend. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat niet is gebleken van omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken. Eveneens is terecht overwogen er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat eiser op korte termijn zal worden verwijderd. Verweerder is immers voornemens om eiser op 15 februari 2025 uit te zetten naar Algerije. Eisers beroepsgrond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, slaagt dan ook niet.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:182.