Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:19537
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,841 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31413
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag. De minister heeft twee verweerschriften ingediend. Op het eerste verweerschrift heeft eiser gereageerd.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. De aanvraag is, gelet op de loopbrief, in ontvangst genomen op 7 juli 2024. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Dat betekent dat de beslistermijn van zes maanden is geëindigd op 7 januari 2025.
3.1.
Voor vreemdelingen uit Syrië heeft de minister echter een besluitmoratorium ingesteld. Op grond van artikel 2 van het Besluit tot instelling van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (Besluit) wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor asielaanvragen van uit Syrië afkomstige vreemdelingen verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. Dit besluitmoratorium is op 14 december 2024 door plaatsing in de Staatscourant in werking getreden.
3.2.
Eiser betoogt dat het besluitmoratorium niet op hem kan worden toegepast, omdat hij niet individueel hiervan in kennis is gesteld. Dat is volgens eiser niet in overeenstemming met artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, dat aan de basis staat van artikel 43 van de Vw 2000. Hij wijst daartoe op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
3.2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 31, vierde lid, onder b, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat betrokkenen binnen een redelijke termijn in kennis moeten worden gesteld van de redenen voor het uitstel. In het zesde lid staat verder dat de lidstaat ervoor zorgt dat, indien binnen zes maanden geen besluit kan worden genomen, de betrokkene in kennis wordt gesteld van het uitstel. Deze bepalingen schrijven niet voor hoe de minister de betrokkene in kennis moet stellen van de verlenging van de beslistermijn. De Afdeling heeft uit artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn afgeleid dat voorwaarde voor toepassing van een besluitmoratorium is dat de betrokkene daarvan op de hoogte wordt gesteld. Hieraan is in beginsel voldaan met publicatie in de Staatscourant. Hiermee is ook de reden voor het uitstel, te weten de tijdelijke onzekere situatie in Syrië, bekendgemaakt. Daarbij is van belang dat de minister, zoals hij terecht heeft opgemerkt, hiermee niet heeft volstaan; hij heeft daarnaast actief informatie verstrekt via de website van de IND en ook in de Nederlandse media is aandacht besteed aan het besluitmoratorium. In de Nederlandse praktijk van het asielrecht heeft een vreemdeling voorts toegang tot gratis rechtsbijstand door een in asielzaken gespecialiseerde advocaat. Van die asieladvocaten mag worden verwacht dat zij kennisnemen van gewijzigde regelgeving en via de website van de IND verstrekte informatie, zoals een ingesteld besluitmoratorium, en hun cliënten daarvan op de hoogte stellen. Anders dan eiser kennelijk betoogt is het individueel bij brief informeren van de betrokkene geen vereiste om de beslistermijn te kunnen verlengen. Ook zonder die kennisgeving is eiser namelijk voldoende op de hoogte gesteld van het besluitmoratorium.
3.2.2.
Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van het Besluit genoemde categorieën, die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium. Partijen hebben dit ook niet gesteld en in het dossier zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden. Het voorgaande betekent dat het besluitmoratorium op eiser van toepassing is.
3.3.
Omdat nog niet op de asielaanvraag van eiser is beslist, is de verplichting van de minister om op de asielaanvraag van eiser te beslissen alsnog opgeschort voor de in het besluitmoratorium genoemde duur van een jaar. De minister moet uiterlijk op 7 januari 2026 op de asielaanvraag van eiser beslissen. Dit betekent dat de op 27 juni 2025 ontvangen ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Vanaf 16 juni 2025 is de categoriale verlenging van de beslistermijn van alle zaken vanaf 1 januari 2024 ingetrokken. Dit betreft alle zaken die zijn verlengd op basis van WBV 2023/26 en WBV 2025/4. Voor deze zaken geldt dus de standaard beslistermijn van zes maanden. Dit volgt Informatiebericht 2025/28.
Stcrt. 2024, nr. 41538.
Deze verlenging is gebaseerd op artikel 43 van de Vw 2000.
Artikel 5 van het Besluit.
ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600 en ABRvS 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082.
Zie in vergelijkbare zin: ABRvS 8 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3232.
ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.
[website 1]
[website 2].
Vergelijk ABRvS 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082.