Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-08-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:19513
REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/3721 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk), tegen de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: mr. L.M. Burger). Inleiding 1.1. Met het (primaire) bestreden besluit van 3 april 2025 heeft verweerder verzoekster met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof van korte duur verleend met behoud van bezoldiging. Dit betreft alleen de werkzaamheden voor Kunst- & Antiekcriminaliteit (K&A) voor gemiddeld 9 uur per week, die zij naast werkzaamheden voor de Districtsrecherche (DR) verricht. De overige niet aan K&A gerelateerde werkzaamheden kan verzoekster blijven verrichten en indien zij dat wenst kunnen de werkzaamheden voor de DR tijdelijk worden uitgebreid, zodat het verlenen van buitengewoon verlof niet meer aan de orde hoeft te zijn. 1.2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder, vergezeld van [naam 1] (inhoudelijk Teamleider). Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Voorgeschiedenis 2.1. Verzoekster is gerekruteerd door de politie vanwege haar specialisme op K&A. Verzoekster is met ingang van 8 december 2022, gedurende de opleiding, aangesteld in tijdelijke dienst bij de politie voor 36 uur per week en zal na de opleiding specifiek inzetbaar zijn. Na een daarop volgende aanstelling in tijdelijke dienst met een proeftijd, heeft verzoekster vervolgens met ingang van 8 december 2023 een vaste aanstelling gekregen. Haar functie is senior intelligence in het vakgebied intelligence, specifiek inzetbaar. Zij was werkzaam bij K&A, laatstelijk in de rang van brigadier. Verzoekster heeft met haar collega, inspecteur [naam 2] , samengewerkt binnen K&A. 2.2. Met het plaatsingsbesluit van 2 oktober 2023 is verzoekster meegedeeld dat de splitsing van de Landelijke Eenheid bijna is afgerond. Als gevolg hiervan ontstaan op 1 januari 2024 officieel twee nieuwe landelijke eenheden: de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties en de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies. De huidige Landelijke Eenheid houdt dan op te bestaan. Voor verzoekster betekent dit dat zij met ingang van 1 januari 2024 wordt geplaatst bij het organisatieonderdeel Intelligenceknooppunt Nationaal (LX) bij de Dienst Landelijke Intelligenceorganisatie in de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties. Haar functie en plaats van tewerkstelling blijven ongewijzigd. Deze plaatsing heeft geen gevolgen voor haar huidige (persoonlijke) inschaling en eventuele vastgelegde afspraken. 2.3. In december 2023 heeft verzoekster haar collega [naam 2] aangesproken op bepaald handelen. Vanaf dat moment zijn de verhoudingen tussen hen verslechterd. Op 18 januari 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de leiding, verzoekster en [naam 2] om de kwestie bespreekbaar te maken. Dit heeft, evenals een voorstel tot mediation, niet tot resultaat geleid. In april 2024 zijn er gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen. Verzoekster heeft bij haar gesprek bepaald handelen van [naam 2] genoemd, dat, volgens haar, duidt op schending van procedures en integriteit. Ook stelt verzoekster dat hij zich ten onrechte profileert als teamleider van K&A. 2.4. Verzoekster is vanwege genoemde verslechterde verhoudingen in juni 2024 op eigen initiatief en informeel (tijdelijk) werkzaamheden gaan verrichten bij de DR van de eenheid Den Haag. Voor ongeveer 9 uur per week bleef zij werkzaamheden verrichten voor K&A. 2.5. Op 8 november 2024 heeft Verweerder wenst nergens op vooruit te lopen en eerst het VIK-rapport te beoordelen. Verzoekster heeft opgemerkt dat het VIK-rapport ruim voor de NAVO-top beschikbaar was en dat al duidelijkheid gegeven had kunnen worden. 5.3. De voorzieningenrechter overweegt dat nu het VIK-rapport voorhanden is, verweerder met spoed het rapport zal moeten beoordelen en aan de betrokkenen duidelijkheid zal moeten geven over wat de volgende stap wordt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder op zitting niet heeft kunnen toelichten waarop of op wie het VIK-onderzoek was gericht en evenmin of het onderzoek al dan niet oriënterend was. De voorzieningenrechter zal zich daarom in deze procedure onthouden van een oordeel over het ontstaan en het verloop van de problematiek in de samenwerking tussen verzoekster en [naam 2] . Dit geldt ook voor het standpunt van verzoekster dat zij in de hoedanigheid van klokkenluider misstanden aan de kaak heeft willen stellen. Het VIK-rapport moet door verweerder worden betrokken bij het te nemen besluit op bezwaar tegen het bestreden besluit. Voorts speelt nog dat K&A, volgens verweerder, geen afdeling is, maar een samenwerkingsverband. Bij de regionale eenheden wordt het aandachtsgebied K&A vormgegeven als taakaccent bij aangewezen taakaccenthouders. De Landelijke Eenheid ondersteunt dit. Binnen de politie wordt onderzocht of aanpassing van de structuur, waarin het samenwerkingsverband K&A nu fungeert, kan leiden tot een duurzame oplossing. 5.4. Het gaat om buitengewoon verlof van korte duur. Verweerder heeft op zitting desgevraagd meegedeeld dat de in artikel 39, tweede lid, van het Barp genoemde ministeriële regeling niet tot stand is gekomen. De voorzieningenrechter volgt vooralsnog het standpunt van verweerder dat een onwerkbare situatie is ontstaan binnen K&A door de verstoorde verhouding tussen verzoekster en [naam 2] . Verzoekster heeft dit op zich niet betwist. Verweerder mocht verzoekster dan ook in redelijkheid buitengewoon verlof verlenen vanwege deze situatie. 5.5. Uit rechtspraak volgt dat deze ordemaatregel slechts van korte duur mag zijn. De vraag wat onder korte duur moet worden verstaan hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Het komt de voorzieningenrechter voor dat het onderzoek naar de structuur waarin het samenwerkingsverband K&A fungeert (zie 5.3.) reeds naar zijn aard een langdurig proces kan worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het willen afwachten van dit grootschalig onderzoek zonder einddatum zich in ieder geval niet verdraagt met de bepaling “van korte duur”. De voorzieningenrechter overweegt dat de ordemaatregel ten tijde van deze uitspraak al vier maanden voortduurt en dat verweerder het VIK-rapport nu met spoed moet beoordelen en duidelijkheid moet geven aan de betrokkenen. Het beoordelen van het VIK-rapport en het informeren van de betrokkenen valt op dit moment binnen de reikwijdte van “korte duur”. In die zin bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. 5.6. De voorzieningenrechter acht het aangewezen om in deze zaak te bezien wat wel mogelijk is. Verzoekster vraagt als voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder haar haar werkzaamheden bij K&A zonder enige beperking weer laat uitvoeren, op straffe van een dwangsom. Deze gevraagde voorlopige voorziening is onder de gegeven omstandigheden te verstrekkend. Op zitting heeft verweerder uitgesproken dat het mogelijk zou moeten zijn dat verzoekster incidenteel wordt ingezet op specifieke onderdelen, echter onder strikte voorwaarden. De voorzieningenrechter heeft uit het verhandelde ter zitting opgemaakt dat verweerder zich niet verzet tegen de inzet van verzoekster bij de organisatie van Pandora, zoals vermeld in de e-mail van 26 januari 2025 (zie 2.9.). Verweerder heeft meegedeeld dat daartegenover staat dat [naam 2] mogelijk ook incidenteel kan worden ingezet. Verweerder maakt graag gebruik van de aanwezige expertise en heeft geen intentie om verzoekster