Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:19497
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,618 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24223
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Mandersloot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 mei 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1998]. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als niet ontvankelijk.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (zaaknummer NL25.24224), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Matty als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft sinds 12 februari 2024 internationale bescherming in Bulgarije. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend omdat zijn vrouw en dochter hier een asielprocedure doorlopen en omdat zijn woon- en werksituatie en zijn medische situatie in Bulgarije slecht was.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen pogingen heeft gedaan om zijn situatie te verbeteren, klachten in te dienen bij officiële instanties of hulp hierbij te zoeken bij andere organisaties. Er is geen sprake van een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig worden. Zijn vrouw en kinderen hebben geen verblijfsvergunning in Nederland en kunnen eiser volgen naar Bulgarije, zodat ook daarom geen redenen bestaan om hem in Nederland verblijf toe te staan. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet ontvankelijk is.
De verblijfsomstandigheden in Bulgarije
5. Eiser heeft aangevoerd dat hij in Bulgarije onder erbarmelijke omstandigheden verbleef. In de asielprocedure heeft hij te maken gehad met een onmenselijke behandeling; na de grensoverschrijding is hij onder mensonterende omstandigheden gedetineerd geweest. Deze ervaringen heeft verweerder ten onrechte niet meegewogen bij het komen tot het standpunt dat eiser klachten moet indienen. Daar komt bij dat na de statusverlening de de omstandigheden slechter werden. Verweerder heeft dit selectief gelezen door enkel in te gaan op de situatie van voor de statusverlening. Verder heeft eiser meermaals geklaagd, maar daar is niets mee gedaan. De onverschilligheid van de Bulgaarse autoriteiten is evident. Verweerder is ook niet ingegaan op de foto's en video's die zijn overgelegd. Eiser heeft slechts twee baantjes gehad en had geen onderdak, maar woonde in een garagebox. Omdat hij zich niet kon registreren kwam hij niet in aanmerking voor onderdak, uitkering of verzekering. Het is ook maar zeer de vraag of hij bij terugkeer hier wel aanspraak op kan maken. Volgens eiser is sprake van erbarmelijke omstandigheden als bedoeld in het arrest Ibrahim (arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219).
6. De rechtbank overweegt dat in geval een derdelander als eiser in een andere EU- lidstaat internationale bescherming geniet, de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de behandeling van deze vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. Daarvoor kan hij objectieve informatie overleggen, en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in de lidstaat die hem internationale bescherming verleent, waaruit blijkt dat hij daar het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Als de vreemdeling dat heeft gedaan, dan moet de minister motiveren waarom hij toch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zie het arrest Ibrahim, punten 83-85 en 88-89.
7. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden waarop eiser zich bij deze beroepsgrond op beroept, zich hebben afgespeeld in de periode vóór en na de statusverlening. De rechtbank is van oordeel dat in dit geschil slechts de omstandigheden van na de statusverlening relevant zijn. Over die periode heeft eiser verklaard dat hij beschikte over werk en onderdak. Dat dit slechts twee kortstondige baantjes en onderdak in een garagebox betreft, maakt niet dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich hierover niet heeft beklaagd. Van voldoende pogingen hiertoe bij officiële instanties is namelijk niet gebleken. Dat eiser dit nou zou durven gelet op zijn ervaringen met de autoriteiten voor zijn statusverlening, doet hier niet aan af. Met het verkrijgen van rechtmatig verblijf is zijn situatie veranderd en was is in die zin niet meer afhankelijk van de autoriteiten dat hij die hoefde te vrezen.
Eiser heeft verder verklaard medische problemen met zijn been te hebben; dit zou na inreis in Bulgarije zijn gebroken in het bos. Een arts heeft vanuit Turkije gezegd dat hij geen betrouwbare diagnose kon geven zonder het gezien te hebben, maar dat het waarschijnlijk drie opties waren. Namelijk een breuk, scheurtje in het bot of een bandenscheuring, en dat het waarschijnlijk door het lange lopen erger was geworden (pagina 10 van het aanmeldgehoor). De rechtbank leidt uit de verklaringen van eiser echter niet af dat hij hier na de statusverlening nog zodanig veel last had dat dit hem belemmerde bij het dagelijks functioneren. Zo heeft eiser verklaard dat hij een week in een restaurant heeft gewerkt maar vanwege de taalbarrière moest stoppen. Toen is hij gaan werken in een taartenfabriek, daar liep hij na tien dagen tegen hetzelfde aan (pagina 7 van het aanmeldgehoor). Ook overigens is niet gebleken van medische omstandigheden van eiser die op dit moment nog relevant zijn voor de beoordeling van deze beroepsgrond.
8. Voor zover eiser heeft verklaard dat er geen uitweg uit zijn situatie is en hij in een zogenoemde catch-22-situatie is terechtgekomen omdat de door hem benodigde voorzieningen niet direct beschikbaar zijn, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3966. Hetzelfde geldt voor het ter zitting gedane beroep in dit kader op het in de uitspraak aangehaalde AIDA-rapport over 2022. Uit de uitspraak volgt dat ten aanzien van Bulgarije nog steeeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Wat betreft eisers aanvulling op het aanmeldgehoord geldt dat hij aanvoert dat hij wel geklaagd heeft over de opvang in het vluchtelingenkamp in Harmanli, maar de rechtbank overweegt dat dit omstandigheden betreffen van vóór de statusverlening. Tijdens het aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat hij nergens heeft geklaagd over zijn woonsituatie (pagina 7) nadien. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat dat NGO’s wel helpen bij het integreren, terwijl statushouders ook bij de Bulgaarse autoriteiten kunnen klagen als zij in een catch-22-situatie terechtkomen. De door eiser aangevoerde omstandigheden die ook zouden blijken uit het AIDA-rapport zijn ook niet zo dat statushouders structureel op grote schaal en voor langere periodes het risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften zoals wonen, eten en zich wassen en statushouders daarom een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM.
9. In hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser verkeerde in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid, of dat er sprake is van zodanig bijzondere individuele omstandigheden dat de minister ondanks het hierboven overwogene eiser in het bezit had moeten stellen van de gevraagde
verblijfsvergunning. Evenmin is gebleken van onjuiste toepassing van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De gezinssituatie
10. Eiser heeft verklaard dat hij vanuit Bulgarije na zijn statusverlening heeft verzocht om nareistoestemming voor zijn echtgenote en hun kind. De Bulgaarse autoriteiten hebben deze toestemming verleend. De echtgenote en hun kind zijn echter niet naar Bulgarije gekomen, maar naar Nederland. Dit heeft volgens eiser te maken met de veronderstelling van zijn echtgenote dat haar twee kinderen uit een eerder huwelijk zijn ontvoerd en in Nederland zouden verblijven.
Conclusie
17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als niet ontvankelijk.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 oktober 2025