Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:19389
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.14162 (beroep) en AWB 23/7758 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1996, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) op het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking arbeid als zelfstandige en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
Bij besluit van 8 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgewezen, omdat hij niet over een geldige mvv beschikte. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het bezwaar van eiser is bij besluit van 1 maart 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3.
Op 29 maart 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Achtergrond
2.1.
Deze zaak gaat over het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen die in Nederland als zelfstandige arbeid willen verrichten. Per 1 oktober 2022 wordt van Turkse zelfstandigen verlangd dat zij (eerst) moeten beschikken over een mvv. Zij komen alleen nog op grond van het Turks associatierecht voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking als zij aan alle voorwaarden van de vergunning voldoen en er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het verlangen van een mvv onevenredig is.
2.2.
Eiser heeft op 13 april 2023 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, als vennoot bij ‘ [bedrijf] ’.
Mvv vereiste
3. De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden die zien op het door verweerder in het bestreden besluit tegengeworpen mvv-vereiste al inhoudelijk zijn beoordeeld in de uitspraak van 7 november 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. De rechtbank ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverwegingen van die uitspraak die zien op het mvv-vereiste de hare. Eisers betoog slaagt dus niet.
Bijzondere omstandigheden
4.1.
Eisers beroep op bijzondere individuele omstandigheden slaagt evenmin. Uit het beleid van verweerder volgt dat het aan de vreemdeling is om de eventuele bijzondere omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat het voor hem niet mogelijk is om vanuit Turkije een eenmanszaak op te richten. Als hij Nederland verlaat wordt zijn onderneming uitgeschreven bij de KvK. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser informatie van en over de KvK overgelegd.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is samen met twee andere vennoten werkzaam binnen [bedrijf] . Omdat eiser samen met deze vennoten eigenaar is van de onderneming zal de onderneming niet ophouden te bestaan indien eiser Nederland verlaat. Daarbij merkt de rechtbank op dat de stelling van eiser dat hij voor zijn aanvraag een KvK-uittreksel moet overleggen, terwijl het niet mogelijk is om zich vanuit Turkije in te schrijven bij de KvK, een probleem is dat op dit moment niet voor eiser speelt. Eiser heeft zich immers vanuit Nederland kunnen inschrijven bij de KvK. Daar komt bij dat verweerder eerder al heeft toegezegd het KvK-vereiste niet aan Turkse aanvragers die een eenmanszaak of VOF willen oprichten vanuit het buitenland tegenwerpt. Voor zover eiser inderdaad bij vertrek zou worden uitgeschreven uit de KvK, kan dit gelet op het voorgaande dan ook geen afbreuk doen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Hoorplicht
5. Eisers beroep op de hoorplicht is ook inhoudelijk beoordeeld in de uitspraak van 7 november 2024. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverweging die op de hoorplicht ziet de hare. Het voorgaande betekent dat het gebrek gepasseerd wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorziening.
8. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet verweerder de griffierechten aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank, in de zaak met nummer NL24.14162:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer AWB 23/7758:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Dit verzoek is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
Zie paragraaf B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
Uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
Paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000.
Kamer van Koophandel.
Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
Algemene wet bestuursrecht.